In de loop van de 13de eeuw ontwikkelt de handel in Noordwest-Europa zich steeds meer in de richting van een Hanzeatische stedenbond die nochthans haar ontstaan te danken heeft aan oudere samenwerkingsverbanden of Hansas.
Zo bevond zich vanouds in Staveren een Engelandvaarders-Hansa, een Rijnvaarders-Hansa en een Scandinaviëvaarders-Hansa.
Hansas waren coöperaties of gilden van koopmanschippers want volgens de oudste traditie voeren de kooplieden mee met hun vracht voordat zij pas later binnen de Stedenhanze, steeds vaker aan de wal bleven en daar als bevrachter en stadsbestuurder steeds minder mobiel werden. Dan volgde als vanzelf ook een zekere scheiding tussen schipper en koopman.
Vanouds kozen de Hansas uit hun midden een ervaren collega om hen in hun buitenlandse handelswijk te vertegenwoordigen als een soort zaakwaarnemer die daar tevens bemiddelde tussen de Hansa en de overheid.
Omdat er in het begin van de 13de eeuw nog maar weinig werd opgeschreven (bijna alles viel nog onder het mondelinge gewoonterecht), mogen wij in de handen knijpen dat er soms toch nog iets op papier kwam te staan, bijvoorbeeld het verhaal van Simon de Staurie- Simon van Staveren, Aldermannus Romani Imperii apud Lennem (Alderman van het Roomse Rijk omtrent Kings Lynn.)
Simon was burger van Staveren en van Kings Lynn waar hij ook woonde. Hij was actief als bevrachter en tijdens politieke spanningen (meestal tussen Engeland en Frankrijk), bemiddelde hij tussen de Staverse Engelandvaarders-Hansa en de Engelse overheid en als Alderman van het Roomse Rijk stond hij daarbij steeds onder rechtstreekse bescherming van de Duitse keizer.
De namen van zijn voorgangers zijn niet bekend maar als op 16 mei-1249, ondanks een algemeen verbod op de uitvoer van graan, vier met graan beladen schepen van Simon en zijn collega`s worden vrijgelaten, blijkt daaruit niet alleen dat Simon toen zelf nog in de handelsvaart zat, maar ook dat er toen al een stevige band bestond tussen de Staverse Alderman, zijn Hanse en de Engelse overheid.
Nu was het opleggen van schepen (om ze te controleren op verboden vracht voor Frankrijk), vooral een zaak van de Engelse koning en ook het vrijlaten gebeurde alleen maar met zijn toestemming.
In 1224 was het ook al raak tussen Engeland en Frankrijk, en werden er in Zuidoost-Engeland schepen gearresteerd, opgelegd en ook weer vrijgelaten. Meer dan de helft van de schepen is afkomstig van Staveren en dat zijn…
Op 13 juni in Kings Lynn de schepen van Reimberd, Gilbert en Wibrand de Stauria, op 28 juni in Portsmouth de schepen van Gerardi en Radulf de Stauria, op 27 juli in Londen het schip van Radulf de Stauria en op 28 juli in Londen de schepen van Gilbert en Gerardi de Stauria. Dan wordt op 10 augustus 1230 een zekere Archebald de Stavere in alle havens van Suffolk vrijgelaten. Blijkbaar was er toen wat meer eenheid in het beleid en waren de verschillende baljuws even bij de koning op het matje geroepen.
In 1294 werden er in Ravensere, Scartheburgum- Scarborough en New Castle 39 schepen opgelegd, waarvan 7 uit Staveren, 7 uit Friesland, 1 uit Harderwijk, 3 uit Kampen en 11 uit Lübeck en Stralsund. Dan is er in 1297 omtrent Scartheburgum sprake van een kogge Godyer van burger-koopman Dodin de Stower en daaruit blijkt dat ook in Engeland de naam Staveren al op verschillende manieren werd geschreven. Zo worden er tussen 1311 en 1312 in Jarnemude- Great Yarmouth 16 schepen opgelegd waarvan 7 uit Staveren, bijvoorbeeld de kogge Blitheleven van Gerhard de Stavere.
In 1326 komen wij dan in Ipswich nog 8 schepen uit Staveren en 1 uit Hindeloopen tegen en lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat het toen nog steeds goed ging met de Staverse handel.

Friezenkerk
Zulke handelswijken hadden een eigen rechtspraak en een rijksonmiddelijk terratorium. Zij vormden samen een internationaal handelsverbond dat sinds Karel de Grote ook door de Duitse keizers werd ondersteund omdat het nu eenmaal de ruggegraad vormde van de Middeleeuwse Noord- Europese handelsinfrastructuur.
De Friese handelswijken bevonden zich nooit binnen de stadsmuren en een gedenksteen in de Oude Hezelpoort van Nijmegen bewijst, dat het koopmansrecht alleen buiten de poort aan de Waalkade geldig was want het opschrift is…HUC USQUE IUS STAVRIAE (tot zover geldt het Staverse recht), terwijl ook de versterkte handelshuizen tegen de buitenkant van de stadmuur waren aangebouwd.

gedenksteen in de oude Hezelpoort van Nijmegen die de grens van het Staverse recht aangeeft (buiten de stadspoorten)
Vanaf 1250 vond er een langzame overgang plaats van de open Hansa- kultuur naar de gesloten steden- Hanze waarbij de koopman steeds vaker binnen de stadsmuren terecht komt. Staveren houdt nog lang haar open karakter want pas in 1398 wordt deze stad door de Hollandse bezetter, graaf Albrecht van Beieren, met een aarden wal omringd.
Oude Friese rechtshandschriften maken naast een melding van een londstrete Jever- Omersburg en een londstrete Emden- Minigardaforda (Münster) ook melding van de overlandverbinding of londstrete Staueren- Colne onder rechtstreekse bescherming van de Duitse keizer.
De Friese handelswijk in Keulen bevond zich hier aan de westelijke Rijn-oever buiten de oude stadsmuren op de plaats waar wij nu nog steeds het Friezenviertel (Friese stadskwartier), de Friezenplatz, de Friezenstrasse en de Friezentor (Noordoostelijke stadspoort aan de Rijn) kunnen vinden.
In 1178 ontmoeten wij hier ene Herman de Stavere als bemiddelaar in een conflict tussen Keulen en Verdun, maar het is niet duidelijk of Herman hier optreedt als een Alderman van de Staverse Rijnvaarders- Hansa. Wel is intussen duidelijk dat Aldermannen met hun internationale handelservaring zeer geziene en invloedrijke personen waren, die voorheen ook al, maar dan als schipper- koopman bij overheidspersonen werden uitgenodigd om hen op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in oost en west en noord en zuid.
Voor 1200 was de Staverse Rijnvaarders-Hansa onder anderen actief in de aardewerk- en tufsteenhandel op Engeland en Denemarken en waar de Oude Waal bij Nijmegen een versmalling heeft, is het niet uitgesloten dat de tufsteen samen met andere handelswaren langs de westelijke Rijn- oever naar Nijmegen werd gebracht om daarvandaan te worden verscheept, want op een andere manier kan de betekenis van de IUS STAVRIAE- steen in de Oude Hezelpoort bijna niet worden verklaard. Ook de stadsrechtverlening aan Nijmegen in 1230, waarbij de stad dezelfde rechten krijgt als Aken en Staveren (tolvrijheid door het gehele Roomse Rijk) en de bekroning van het stadswapen met de keizerskroon, doet een sterke relatie met Staveren vermoeden maar dit is dan ook het enige vermoeden dat de schrijver van dit stuk, zich waagt te permitteren.
Intussen kon zich op het oost- west snijpunt tussen Duitsland- Engeland en het noord- zuid snijpunt tussen Frankrijk- Scandinavië, naast de benodigde invoer- en uitvoerhandel, een enorme tussenhandel ontwikkelen. Zo was Wyk of Dorestad onder Utrecht al in de 7de en 8ste eeuw één van de belangrijkste stapel- en overslagplaatsen in Europa. Toen dit handelscentrum door de Frankisch- Friese oorlogen, de invallen van de Noormannen en vooral ook door de verzanding van haar havenwerken in onbruik raakte, vertrokken de kooplieden onder anderen naar Tiel, Nijmegen, Deventer en Staveren.
In het Noord- en Oostzeegebied voer men meestal nog met knarren of knörren, een Fries- Scandinavisch scheepstype met een langkiel tussen kromme stevens. Het waren buikschepen of byrdingen met een gemiddelde lengte van 16 meter en een laadvermogen van zo`n 25 ton.
De lading bestond meestal uit stukgoed zoals rollen Fries wollen kleed, tonnetjes zout en andere kostbare vracht. Waar gelost werd, werd ook weer geladen en zo zwierf men tussen maart en november overal heen. Knarren konden daarbij een snelheid van wel 12 knopen bereiken en zeilden hoger aan de wind dan hun opvolgers, de koggen met hun rechte stevens. Dezen kwamen na 1150 steeds veelvuldiger in de vaart omdat de Lage Landen nu steeds meer bulk- of ruimvracht verlangden vanwege stedenvorming en bevolkings-toename, veroorzaakt door stormvloedkerende bedijkingen in het kustgebied.
Staveren profiteerde van deze ontwikkeling want de stad deed steeds meer dienst als overslaghaven en stapelplaats. Waar de knarren over de kronkelige waterlopen ten zuiden van Staveren nog zeilden of staande geroeid konden worden, moest nu de vracht van de veel grotere en minder wendbare koggen hier in binnenschepen worden overgeladen en zo werd Staveren vanaf de tweede helft van de 12de eeuw de belangrijkste overslaghaven van Noord- Nederland.
De Swanrâd of Friese Binnenweg verloor intussen steeds meer haar betekenis want voortaan zeilde de koggen om Harlingen heen door het Koggediep naar het oosten.
In de 13de eeuw voeren Staverse koggen en pleyten, grote zeewaardige kromstevens, niet alleen op Engeland. Zij stonden ook aan de bakermat van de Ommelandvaart rond Denemarken, want waar de knarren voorheen hun vracht bij Hollingsted aan de Treene met paard en wagen naar de Schleie bij Sleeswyk moesten laten brengen om vervolgens ongeladen langs een overtoom van de Noordzee naar de Oostzee te worden verplaatst, was dit met koggeschepen vrijwel onmogelijk geworden.
Lübeck wilde nu de Staverse vrachtvaarders dwingen om voortaan hun vracht vanaf Hamburg met paard en wagen naar Lübeck te brengen waar het dan op andere schepen moest worden overgeladen om het dan vervolgens in oostelijke richting verder te kunnen transporteren. Om dit verlangen kracht bij te zetten, verbood Lübeck in 1249 de Ommelandvaart voor Friezen, Vlamingen en Goten.
De Staversen lieten zich echter niet verleiden tot deze dure grap en waren er dan ook als de kippen bij om hun van oudsher gebruikelijke tolvrije Sontpassage in 1251 schriftelijk te laten bevestigen door de Deense koning Abel en met dit Ommelandvaardersprivilege zouden de Friezen nu onder Deense bescherming, voor eens en voor altijd hun tolvrije doorvaart langs de Sont behouden.
Binnen de traditie van de Hansas is het moeilijk om monopolistische tendenzen te ontdekken want de zee was vrij voor iedereen en men beschermde zich tegen de eigenmachtige willekeur van kleine machthebbers door zich (liefst tolvrij) te bewegen onder keizerlijk en kerkelijk gezag.
Toen nu de keizerlijke macht verbrokkelde en de willekeuren van kleinere machthebbers erg vervelend werden voor de koopman, probeerde deze zich daartegen te beschermen door middel van een samenwerkingsverband van steden.
De zwervende kooplieden van de Hansas verdwenen achter de muren en werden burgers en bestuurders van steden.
In Scandinavië bleven de Hansas nog lang actief terwijl Staveren blijft hangen tussen Hansas en Hanze omdat deze stad zich nu eenmaal vanuit de Hansa-traditie heeft ontwikkeld. De jongere Duitse steden streven al spoedig naar een handelsmonopolie in het buitenland en het vermoeden rijst dat het Ommelandvaardersverbod van Lübeck, bedoeld om Friezen, Vlamingen en Goten onder de wind te zeilen, nog een staartje krijgt als er in 1329 tussen Staveren en Lübeck een kaper- oorlog uitbreekt.
De aanleiding tot deze oorlog is een incident in de buurt van Bardenvorde of Bara bij Halland in Zweden. Een schip uit Lübeck wordt daar geënterd door piraten en een Stavers schip schiet hen te hulp (dat was verplicht binnen het Hanzeverbond).
Daarbij verliest Staveren een schip en 13 scheepslieden. Nu maakt Lübeck geen aanstalten om de schade te vergoeden onder het voorwendsel dat de Lübeckers geen hulp zouden hebben gevraagd.
Als dan in 1329 twee Staverse Aldermannen in Lübeck om schadevergoeding vragen, wordt dat geweigerd.
Een kaper-oorlog breekt uit en in hun vitten of handelsnederzettingen op Schonen in Zuid- Zweden vinden tijdens de hariinctiit (het jaarlijkse wachten op de haring en daarna de periode van het kaken en inzouten) soms zware handgemenen plaats tussen Lübecker en Staverse sciplude (scheepsvolk).
Op verzoek van de Hanze- vergadering moet er nu bemiddeld worden.
Staveren weigert een bemiddeling van de Hollandse graaf Willem III maar uiteindelijk slaagt een zware delegatie van Aldermannen uit Gent, Brugge, Yperen, Dordtrecht, Middelburg en Zierikzee erin om de partijen te verzoenen, en bij deze Vrede van Gent wordt alle wederzijdse schade tegen elkaar weggestreept en moeten alle gevangenen worden vrijgelaten.
Pieter Mante, Wynoud Altghera, Tideman Jonghe Evvecken zone, Gheltmaer zinn broeder ende Tideman Pelegriimssone van Stavere claghen, dat si te Valsterbode in die vrye maerct binnen vrede zere ghesleghen ende ghewond worden ende grote smeetheid ghedaen wordt van der meente van Lubeke die in die hariinctiit te Sconen waren. (Die van Staveren klagen dat zij binnen de vrije markt en marktvrede van Valsterbode zwaar geslagen en verwond zijn en dat hen groot onrecht is aangedaan door de meente van Lübeck die in die haringtijd op Schonen aanwezig waren.)
Blijkbaar was het schenden van de vrijemarktvrede een zeer zware overtreding want de hier genoemde Staverse burgers krijgen schadevergoeding.
Twee maanden later, op 1 mei 1335, gaat Uolker, abdt van der abedie sinte Adolfs te Staueren (Volker, abt van de abdij Sint Odulfus te Staveren) schriftelijk akkoord met de beslissingen van de Gentse Vrede met onder anderen de volgende woorden…So verbinden wy al tgoed van onzer abdyen, waer dat gelegen es, ende willen, dat het bliue verbonden tallen daghen.
Volker lijkt hier alle middelen van de abdij in te zetten als onderpand
voor een duurzame vrede. Intussen was Odulfus vier jaar voor deze oorlog aan de zuidkant van Staveren opnieuw verrezen en blijkbaar was de situatie niet meer zo armetierig als in 1230. Daarbij mogen wij aannemen dat de abdij actief was in de handelsvaart, niet alleen omdat er een werf van Odulf wordt genoemd maar ook omdat het toen gebruikelijk was dat grotere kloosters en abdijen vrachtschepen lieten varen.
Intussen wist Staveren een zes jaar durende kaper- oorlog te overleven en is ook hier de conclusie gerechtvaardigd dat het nog steeds goed ging met de Staverse handel
In 1344 wordt op verzoek van Kampen het bisschopstol bij Staveren opgedoekt.
Nadat de Utrechtse bisschop afzag van zijn belangen en rechten in Staveren en deze naar Kampen in het Oversticht had verplaatst, brengt nu de Hollandse graaf Willem III een leger op de been om zijn oude aanspraken op Staveren en Friesland kracht bij te zetten.
Wij schenken daar weinig aandacht aan want iedereen weet hoe dat in 1345 afliep, de zogenaamde slag bij Warns die in wezen een slag om Staveren was. De Staverse handel moest verdwijnen terwille van Amsterdam en tegelijkertijd moest de stad dienen als springplank in de richting van een totale kolonisatie van Friesland.
Na de nederlaag in 1345 zou het ruim 40 jaar duren voordat er een nieuwe poging werd ondernomen.
Intussen verziekten de Hollandse graven de handel met kaperbrieven, zwevende privileges en handelsverboden. Zo werd het de Hanze verboden om vracht af te leveren in het vijandige Friesland. Vervolgens werden dan foute handelaars gekaapt terwijl de goeden met zwevende privileges (met een opzegtermijn van een week tot een maand) aan het lijntje werden gehouden. Het was gedaan met de vreedzame handel van weleer want alles veranderde in een treurig verhaal van groeiende chaos en toenemend geweld ter land en ter zee.
In 1398 wist graaf Albrecht van Beieren met zo`n 18.000 man op zo`n 800 schepen (de schattingen lopen hier uiteen van 16.000 man op 600 schepen tot 20.000 man op 900 schepen) eindelijk, nadat er zo`n 600 Friezen waren geneuveld, Staveren tot overgave te dwingen.
In korte tijd werd hier nu een dwangburcht opgemetseld waarbij iedereen uit Holland die metselen kon, werd opgetrommeld. (De fundamenten van dat bouwwerk kwamen in 1882 als zwaar paal- en steenwerk in zicht tijdens het uitbaggeren van de nieuwe Spoorhaven.)
Tegelijkertijd liet Albrecht de stad omringen met een aarden wal en gracht.
Voor de burgers die niet waren gevlucht of niet konden vluchten brak er nu een moeilijke tijd aan, vooral toen de eerste bezetting van schutters werd teruggetrokken door de Hollandse steden, die weliswaar vanwege hun grafelijke stadsrechten verplicht waren om troepen te leveren maar deze in het geval van Staveren terugtrokken omdat zij liever handel dan oorlog met Friesland wensten.
Albrecht moest zich nu behelpen met huurlingen onder leiding van een door hem aangestelde Kapitein- roofridder.
Intussen was de handel ter plaatse volkomen verlamd en waren Friezen en Hamburgers aanvallend vanuit zee aanwezig terwijl de Friezen ter land soms in belegering en vooral ook defensief aanwezig waren in een blokkade bij Ungersyl aan de Palesloot tussen Hylpen en Molkwar.
Nu probeerde Albrecht via Warkum naar het noorden op te rukken en daarom paaide hij die plaats met een stadsrechtverlening.
Voor- en tegenstanders van een aangepaste trouw aan de graaf vlogen elkaar in de haren en die partijstrijd zorgde alleen maar voor meer chaos.
Intussen was Staveren verandert in een roversnest waarvandaan de huurlingen van Albrecht de omgeving plunderden en schepen op de rede, die wachtten op gunstige wind, van hun lading beroofden.
Met name de Hamburgers, die vanouds in Staveren hun bier stapelden en het daarvandaan naar het zuiden lieten verschepen, hadden nu zoveel schade geleden dat zij het machtige Hanzeverbond opriepen tot een oorlog tegen Holland. Daar schrok Albrecht voor terug en dat betekende het einde van de bezetting van Staveren, maar de Hamburger bierstapel was nu ook voorgoed verdwenen. Die coepman van Hamborch zou in het vervolg zijn waren rechtstreeks naar Kampen en Amsterdam laten verzeilen ondanks de veelbelovende brieven van het Staverse stadsbestuur waarin al hun oude handelsrechten meermalen worden bevestigd, bijvoorbeeld nog in de laatste brief van 23 juni 1412…
Voertmer soe moghen sie hoer gued vercopen, id sij bi zuden off bi noerden, bynnen unser stede, waer sie willen, ende latent ligghen aen unse diep, dat wi hieten de Deelff, ende up der strate alsoe langhe, alsie willen, daer sie huese of kelre hebben. (Voorts mogen zij hun goederen verkopen, hetzij in `t zuiden of in `t noorden binnen onze stad, waar zij maar willen en zij mogen het laten liggen aan ons diep dat wij de Delf noemen en op de straat zolang zij dat willen, daar waar zij kelders of huizen hebben.)
Gezien de armoede en de ellendige waterstaatfeitelijke toestand rondom Staveren zal het voor een ondernemer niet aantrekkelijk geweest zijn om zich na deze oorlog nog in Staveren te vestigen.
De middelen tot dijks- en havenonderhoud die voor de instelling van het Groot Arbitrament in 1533 nog plaatselijk moesten worden opgehoest ontbraken want de vrachtvaarders die wegens de oorlog hun handel en wandel naar elders hadden verplaatst, kwamen meestal niet terug.
Staveren is door oorlogen en overstromingen heel snel in een neerwaartse spiraal terecht gekomen. Intussen was door de Hollands- Friese oorlogen het open karakter van de Hanze verdwenen en ontstond er een soort toelatingsbeleid waarbij de Hollandse steden werden uitgesloten. Dezen wisten zich met Friese schippers op hun schepen weliswaar toegang te verschaffen tot de Oostzee maar zonder het privilege van een tolvrije vaart door de Sont die de Friese schepen daarentegen, voor altijd zouden behouden.
Samengevat mogen we zeggen dat Staveren tot diep in de 13de eeuw de belangrijkste Nederlandse Hanzestad is die dan nog samen met Kampen de overige Hanzesteden vertegenwoordigd. Zo is de volgorde in 1285 nog steeds Rudolfus de Stoueren en Hartwico de Nagele de Campen die samen met een niet nader genoemde Alderman uit Grunnong onder voorzitterschap van de Zweedse koning Gustav in Gulbyaerxhedh op het schiereiland Schonen bemiddelen in een conflict tussen de Noorse Hansas en de Duitse Hanze.
Na het landverlies ten zuiden van Staveren en het ontstaan van het Urker Val verliest de stad steeds meer haar overslagpositie omdat de zeeschepen nu rechtstreeks naar Kampen en Amsterdam kunnen zeilen. Staveren verdwijnt uit het Hanzische Oorkondenboek en het laatste Middeleeuwse bericht over de verkoop van een Stavers schip naar Amsterdam in 1430 vinden wij dan nog terug in het Oorkondenboek van Lübeck.
De Vrouwe en Stavoren.
In de prille Republiek Der Zeven Verenigde Nederlanden was het rond 1600 gebruikelijk om zich als gewest op een bombastische en chauvinistische wijze te profileren omdat een prettig saamhorigheidsgevoel van Nederlanderschap, toen nog nauwelijks aanwezig was.
Zo schreef de Staverse dominee Adamus Westermannum in 1611 een boekje met de titel korte beschrijvinge van de oude Anze Stadt Stavoren en het boekje begint als volgt….
Stavoren is de alleroudste stad van Friesland. Gebouwd in het jaar van de schepping van de wereld 3970, hetwelk is het eerste jaar van de geboorte van Onze Heer en Zaligmaker Jezus Christus, door Azinga Afcon, destijds Prins van het land, voorzien van diepe grachten, hoge wallen en torens. De Prins had ook in de stad voortreffelijke schermscholen laten oprichten, waarin de jeugd driemaal in de week in de krijgsmanskunst geoefend werd. Heeft haar oorsprong en naam van de afgod Stavo, bij de heidenen hooggeacht en gezien en die, zoals sommigen menen, bij de Friezen als Jupiter geëerd werd, enz. enz.
De legende of liever het sprookje van de Vrouwe is eveneens een verzinsel uit die tijd rond 1600. Het schetst een stad die bestuurd wordt door een dictator. Op haar commando moet een schipper zijn lading graan overboord zetten en vervolgens gaat de stad ten gevolge van die arrogante ijdelheid ten onder.
Het is een mooi sprookje met een duidelijke moraal want wat graan kan betekenen voor iedereen, mag niet verloren gaan door de willekeur van één of andere dictator.
Tevergeefs zochten wij naar een historische kern in het verhaal maar misschien geeft een verwijzing naar de gouden stoepen enigszins houvast, want er staat een zogenoemde stoepsteen voor het oude gemeentehuis van Staveren, die door oudburgemeester van Haarsma Buma uit de vloerbedekking van een bijkeukentje werd opgevist. Het is een oude erfafscheiding, gebeiteld uit kalksteen afkomstig van het Zweedse eiland Öland, en het is uniek in Nederland.
De rechtopstaande 14de eeuwse steen is voorzien van een griffioen, een gevleugelde leeuw van Assyrische herkomst en de afbeeldingen zijn hier en daar verguld geweest.
De bedenker(s) van het sprookje hebben misschien ergens de klok horen luiden maar zoeken nog steeds naar de klepel en daarom zou het verhaal geen legende of sage, maar liever een sprookje mogen worden genoemd.
De naam Stavoren is afkomstig van de nepgod Stavo en\of van het vrouwtje met de puntmuts want de klemtoon van alle namen die wij vonden, ligt steeds op de eerste lettergreep zoals…
Staueren- Stauerun- Staurie- Stavera- Stawrun- Stafren- Staverun- Stavria- Stoueren- Stower- Stovern- Stofren.
staf-stav is het kernbegrip van de naam Staveren en betekent stevigheid of verband brengend deel van een geheel , zoals dat gebruikelijk is bij het staffelen van de vracht, het met bewijzen staven, de stavering, spelling of het verband van de taal, de stevens of het verband van een schip, de stafdijk van Stavenisse, dubbele verstaagde palenrijen volgestort met wier en zoden zoals dat in overslibde veengebieden gebruikelijk was.
Nu was omstreeks 800 zo`n stafdijk bij Staveren misschien nog niet noodzakelijk en kon men volstaan met platte zodendijkjes en in dat geval zou de naam Staveren afkomstig kunnen zijn van dichtgetimmerde paalconstructies of steigers die dienst deden als laad- en losbruggen voor de vrachtvaart. (Zie het hoofdstuk zeerecht.)
Dan is er nog het Scandinavische begrip staua of rechtspraak, het samenbindend of verbandbrengend deel van een samenleving en inderdaad was Staveren al heel vroeg een tot rechtspraak bevoegde locatie.
Hoe het ook zij, en wie ook waar de hier besproken verzinsels heeft bedacht, de naam Stavoren geeft alleen maar een achterstavorense indruk en hiermee is dan wat ons betreft een periode van 400 jaar geschiedenisvervalsing op feestelijke wijze afgesloten en mag de oude roemruchte naam STAVEREN nu weer opnieuw, op de kaart verschijnen.
Binne Lútsen Boarnstra























