Opkomst en ondergang van de abdij Odulfus.
De geschiedenis van Oud Staveren vindt enigszins houvast bij de geschiedenis van het klooster en de abdij van Sint Odulfus.
De Zuiderzee was er nog niet en het landschap ten westen van Staveren bestond nog uit ondoordringbare laagveenbossen omzoomd door Biesbosachtige brakwatermoeren die vooral langs de oevers van de getijderivieren werden voorzien van vruchtbare zeeklei.
Daar kapte men de door het zout aangetaste bomen en zo veranderde het gebied in een kwelderlandschap, geschikt voor het hoeden van schapen. Omdat het kustlandschap toen nog niet werd beschermd door stormvloedkerende dijken, wierp men terpen van zoden op om zich te beschermen tegen de herfst- en wintervloeden.
Staveren bestond al voordat er een kerkelijk centrum werd gevestigd want zo`n centrum werd niet zomaar ergens in de wildernis geplaatst.
Het lag daar gunstig aan de belangrijkste binnenvaartverbinding van Noordwest Europa, de Friese Binnenweg, die in het Beowulf-epos uit de 6de eeuw naast de Hronrâd, de Walvisweg over zee, Swanrâd of Zwanenweg wordt genoemd.
Langs deze vaarweg voeren schepen van Vlaanderen langs de Striene (een verdwenen noordelijke Scheldetak), de Lek, de Vecht en over het Almere naar Staveren, om vervolgens langs Sudermuda en Harsa de Middelzee te bereiken en over de Wadden op Emden, Bremen, Hamburg of Ribe en Sleeswyk in Denemarken aan te koersen.
Na afsluiting van de Zuiderzee zijn de meeste getijdegeulen onzichtbaar geworden door de egaliserende werking van wind en golven, maar gelukkig benoemen de Staverse visserlui hun visgronden nog steeds met de namen van oude geulen en platen.
Zo loopt daar vanuit het zuidoosten de Veengeul die aansluit op het Buitenste Gat in het Vrouwenzand. Dit gat wordt op diepte gehouden door de windstroom en is op haar smalst 280 meter breed bij een maximale diepte van 5 meter. De begrenzingen lopen steil af want de kern van het Vrouwenzand wordt gevormd door een keileem- massief
dat door de zandafzettingen daaromheen meestal onzichtbaar is geworden. (De plaat ten westen van het Buitenste Gat bestaat aan de oppervlakte overigens uit grindachtig zwerfgesteente zoals ik aan het zwaard kon beluisteren toen ik daar per ongeluk eens over heen zeilde met een klipper.)
Op een 16de eeuwse kaart van Sgroten vindt men hier in de buurt de naam Nagel en inderdaad is het Buitenste Gat breed en diep genoeg om het hiervoor genoemde verenigde water te laten passeren.
De naam Vrouwenzand wordt intussen ten onrechte in verband gebracht met de bekende legende van het Vrouwtje van Stavoren waarin gesuggereerd wordt dat het verval van de Staverse handel te maken zou hebben met de vrij plotselinge verschijning van het Vrouwenzand en de daarmee gepaard gaande verzanding van de Staverse havens.
Nu is het niet precies te achterhalen waar de scheepvaart langs de Nagel voor het ontstaan van de Zuiderzee verbinding vond met de IJssel. Misschien even ten zuiden van de lijn Urk- Schokland omdat de vaarweg oostelijk van Urk door de 19de eeuwse zeeman- dichter Cornelis Harkes Landmeter, bijgenaamd Kees fan `e Wâldkant, in zijn gedicht De Zeereis nog steeds de Nagel wordt genoemd…
Tusschen `t land en Urk wilt weten,
Zeilden wij de Nagel door,
Zo dit water wordt geheeten,
Maar `t was niet ons regte spoor.
In de buurt van het Vrouwenzand moet eens het vrouwenklooster Maria Magdalena hebben gestaan dat naar de Achterdelf binnen de stad werd verplaatst, nadat door de vloeden het Vrouwenzand van haar met klei bedekte veenlaagje was ontbloot, en als zodanig haar functie als weidegebied voor de Vrouwen had verloren.
Wanneer precies de Delf werd gegraven, is tot nu toe onbekend maar het is logisch dat er behoefte was aan beschermde los- en laadplaatsen en daarom mogen wij aannemen dat er vanaf de Sudermuda ter hoogte van Odulfus al heel vroeg een inham werd gegraven op de plaats waar een natuurlijk stroompje vanuit het zuiden afwaterde in de Sudermuda. Een natuurlijk oeverprofiel, gevonden tijdens rioolwerkzaamheden in de Dwinger, wijst in die richting en daarom rijst het vermoeden dat de Delf weleens een gekanaliseerd riviertje zou kunnen zijn.
Er zijn geen berichten van een bezoek aan Staveren door Bonefatius en zijn wreker Karel Martel, onderweg naar de Middelzee, maar in 991 krijgen wij hier wel bezoek van de latere Noorse koning Olav Tryggvason die met zijn langschip Ormrinn Langri (Lange Slang) en een onbekend aantal volgschepen onderweg is van Kent in Zuid-Engeland naar Denemarken. Langs de Swanrâd zijn zij naar Staveren gevaren om Odulfus te bezoeken.
Nu beschouwden de Noormannen kloosters en abdijen als een ongewenste Frankisch-Romaanse bezettingsmacht waarvan zij de Lage Landen meenden te moeten bevrijden. In ruil daarvoor beroofden zij die macht vervolgens van alles wat zij konden gebruiken zoals de kerkelijke belastingopbrengsten (de tienden), het goud en het zilver en ook wisten zij met grote nauwkeurigheid de meestal goed gevulde wijn- en bierkelders te bereiken. Bovendien namen zij de belangrijkste kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders als gijzelaars mee aan boord en lieten dezen na betaling van losgeld weer vrij.
Opmerkelijk is in dit verband het Friese begrip oeremus, afgeleid van het Latijnse begrip oremus, wat nog steeds betekent…overstuur of lichtelijk in paniek raken.
Voor de bedijking werd hier aan de gehele kust tussen Vlaanderen en Denemarken zout gewonnen uit overslibde zoutveengebieden of brakmoeren waar de bomen al door verzilting waren afgestorven.
Dit zogenoemde Friese zout was voor de invoer van het Franse zeezout (aan het einde van de 13de eeuw), samen met het Fries wollen doek, één van de belangrijkste exportproducten van de Lage Landen.
Kloosters en abdijen liepen voorop in de zoutwinning omdat alle woeste gronden tot kerkelijk domeinland werden gerekend en daarom mogen wij St. Odulfus als werkgever van al die lekebroeders een actieve rol toebedelen in het proces van zoutwinning, gevolgd door bodemdaling van de brakke moeren ten westen van Staveren tussen Vrouwenzand en Munnikplaat.
Bedijking.
Ontginning.
Eerst werden de stervende bomen gekapt en veranderde het landschap dichtbij de geulen in vruchtbare kwelders, geschikt voor de schapenhouderij. Daarna werden er sloten gegraven om het sponsachtige achterland beter te ontwateren en het op die manier in cultuur te kunnen brengen, maar zoals gezegd zijn er weinig of geen sporen terug te vinden. In de Noordoostpolder vond men na inpoldering nog wel sporen van dijksresten die er op wijzen dat de voormalige bewoners van dit ontgonnen en ingeklonken overslibde veengebied zich nog korte tijd tegen de opstuwende vloeden hebben geweerd.
Samengevat is deze inleiding noodzakelijk om het snelle verval van Staveren en haar abdij enigszins te kunnen begrijpen vanuit het brede perspectief der algehele situatie in de Lage Landen.
Tegelijkertijd betwisten verschillende heerschappen de rechten van Odulfus in Wenbirge (Wymbrits), Wildinghe (Wonseradiel) en Gaasterland tot en met Skarsterlân waar zich eveneens kerken en kapellen van Odulfus bevonden. Zo moest de abdij aflaten gaan verkopen om de benodigde middelen tot zeedefensie bij elkaar te schrapen. Dat betekende dat de aflaatkopers, afhankelijk van het bedrag, gedeeltelijk ofwel helemaal van hun zonden waren verlost.
Nu ging het waarschijnlijk niet alleen om het behoud van de Odulfus-gebouwen maar ook om het behoud van de omringende landerijen. Dat was kostbaar want een kleidijk was niet voldoende omdat de venige ondergrond, met een gemiddelde dikte van zo`n drie tot vier meter, weinig houvast bood.
Zo moest men dan door de veenlaag een dubbele palenrij tot in de zandige of lemige ondergrond slaan, de palenrijen met elkaar door ijzeren stagen verbinden en vervolgens volstorten met wier en zoden.
Intussen ging in de wijdere omgeving de erosie gewoon door en werd bijvoorbeeld de Plaat ten noorden van de Sudermuda, in de luwte waarvan de schepen gewoonlijk voor anker lagen te wachten op hun losbeurt in de Delf, volkomen ontmanteld nadat ook hier de boormossel met zijn gangen naar het veen, het beschermende kleidek poreus had gemaakt.
Tijdens aanhoudende noord-noordwesterstormen persten de vloeden zich nu met geweld tussen Staveren en de Westfriese Omringdijk door en volgens bisschop Guido van Utrecht stond Odulfus in 1307 dermate dicht bij de zee, dat het door de golven geheel zou worden verslonden wanneer niet spoedig hulp werd verleend.
Die hulp schoot echter te kort want in 1318 was het klooster in diep verval geraakt en vijf jaar later schreef bisschop Jan van Diest dat de twee torens en een groot deel van het klooster inclusief de verschillende bijgebouwen in puin waren gevallen. De brug, het kistwerk tussen Odulfus en de vaste wal, was weggeslagen en het water klotste tussen de palen door waarop slechts nog de resten van het bouwwerk rustten, zoals de bisschop met eigen ogen had gezien.
In 1323 was er dus al een doorbraak en was de zee flink in beweging om Odulfus door middel van het Oude Gat van de tegenwoordige stad te scheiden. De monniken waren door misgewas en veepest nu geheel verarmd en daarom gelastte de bisschop zijn geestelijken om “in hunne kerken den zendelingen van St. Odulfus te veroorloven het woord Gods te prediken en aalmoezen in te zamelen.” Hetzelfde werd in diezelfde eeuw nog eens door drie andere bisschoppen verordend.
Waar intussen al die monniken zijn gebleven is niet precies bekend maar zij verbleven in elk geval nog in Staveren want in 1335 ging de stad, vertegenwoordigd door abt Uolker (Volker) van de abedie sinte Adulf, akkoord met de beslissingen die er tijdens de Vrede van Gent werden genomen om een einde te maken aan de kaperoorlog tussen Staveren en Lübeck.
Het verhaal dat graaf Willem in 1345 bij het oude Odulfus aan land kwam is dus uit de lucht gegrepen want van het oude Odulfus was toen alleen nog maar een stukje ruïne op een eilandje overgebleven. De veroveraars kwamen in het zuiden van de stad bij het nieuwe Odulf aan land. Toen graaf Albrecht in 1398 Staveren veroverde, omringde hij de stad met aarden wallen waarbij Odulfus buiten de stad kwam te liggen. Daar diende het tijdens de Hollands-Friese oorlogen alleen nog als militaire versterking en het kreeg er toen zodanig van langs dat men het in 1414, toen de stad weer in handen van de Friezen was gevallen, niet verstandig vond om op de puinhopen van dit tweede Odulf een nieuw gebouw te stichten en daarom werd nu aan de zuidkant binnen de stadwallen in 1415 een derde en laatste Odulfus ingewijd. Vanwege het harde dak ontsnapte het nog aan de grote brand in 1420, waarbij honderden met riet gedekte huizen in as werden gelegd.
Blijkbaar zag men nu steeds minder toekomst voor een belangrijk kerkelijk centrum in Staveren weggelegd want terwijl sommige kloosterlingen in Staveren bleven wonen, vestigden anderen zich in Hemelum terwijl de abt in Rijs ging wonen. Dat kwam de eenheid niet ten goede en daarom braken er voor Sint Odulfus eigenlijk nooit meer goede tijden aan.
Omdat er toen blijkbaar nog voldoende kapitaal in de stad aanwezig was, kon men het overgebleven Staveren door dijks- en havenwerken voor de totale ondergang behoeden.
Omstreeks 1300 is Staveren niet meer de belangrijkste Hanzestad van Nederland omdat veel kooplieden bijvoorbeeld al naar Kampen waren vertrokken want de zeeschepen hoefden hun handelswaren niet langer in Staveren op binnenscheepjes over te laden en konden nu langs steeds bredere wateren door het Val van Urk rechtsstreeks naar Kampen zeilen.
Het feit dat de stenen binnen het rechthoekige terrein terecht gekomen zijn, kan tenslotte alleen maar verklaard worden vanuit de beweging en werking… van kruiend ijs.
Binne Lútsen Boarnstra- Staveren























