Sponsoren:
De Vier Heemskinderen
Firma Bandstra en Ernst
Drankenhandel Kuperus
Klussenbedrijf J. Smit
Zuidwesthoek Mastenmakerij
Kapsalon Klazien
Simmermoarn
Brouwershûs
Singelier
Doede Bleeker
Auke de Groot websiteontwerp, onderhoud en hosting
De Lotus
Schildersbedrijf Hans Müller
Stadsboerderij de Koebrug
Nijverheid Charters
Stadeshuys
Bij van der Brink





Opkomst en ondergang van de abdij Odulfus.


De geschiedenis van Oud Staveren vindt enigszins houvast bij de geschiedenis van het klooster en de abdij van Sint Odulfus.

Dat begint al in 838 als Odulfus op verzoek van de Utrechtse bisschop hier een kerkelijk centrum sticht om daarvandaan de afvallige Friezen opnieuw tot het Christendom te bekeren.
Deze missiepost verscheen westelijk van de huidige Noorderhaven waar de Nagel, het verenigde water van Overijsselse Vecht- Drentse Aa- Steenwijker Aa- Tjonger- Linde- Scheene, zich splitste en zich gedeeltelijk als Sudermuda noordoostelijk naar de Middelzee bewoog.

De Zuiderzee was er nog niet en het landschap ten westen van Staveren bestond nog uit ondoordringbare laagveenbossen omzoomd door Biesbosachtige brakwatermoeren die vooral langs de oevers van de getijderivieren werden voorzien van vruchtbare zeeklei.

Daar kapte men de door het zout aangetaste bomen en zo veranderde het gebied in een kwelderlandschap, geschikt voor het hoeden van schapen. Omdat het kustlandschap toen nog niet werd beschermd door stormvloedkerende dijken, wierp men terpen van zoden op om zich te beschermen tegen de herfst- en wintervloeden.

 

De waterwegen.


Staveren bestond al voordat er een kerkelijk centrum werd gevestigd want zo`n centrum werd niet zomaar ergens in de wildernis geplaatst.

Het lag daar gunstig aan de belangrijkste binnenvaartverbinding van Noordwest Europa, de Friese Binnenweg, die in het Beowulf-epos uit de 6de eeuw naast de Hronrâd, de Walvisweg over zee, Swanrâd of Zwanenweg wordt genoemd.

Langs deze vaarweg voeren schepen van Vlaanderen langs de Striene (een verdwenen noordelijke Scheldetak), de Lek, de Vecht en over het Almere naar Staveren, om vervolgens langs Sudermuda en Harsa de Middelzee te bereiken en over de Wadden op Emden, Bremen, Hamburg of Ribe en Sleeswyk in Denemarken aan te koersen.

 
Het Vrouwenzand.


Na afsluiting van de Zuiderzee zijn de meeste getijdegeulen onzichtbaar geworden door de egaliserende werking van wind en golven, maar gelukkig benoemen de Staverse visserlui hun visgronden nog steeds met de namen van oude geulen en platen.

Zo loopt daar vanuit het zuidoosten de Veengeul die aansluit op het Buitenste Gat in het Vrouwenzand. Dit gat wordt op diepte gehouden door de windstroom en is op haar smalst 280 meter breed bij een maximale diepte van 5 meter. De begrenzingen lopen steil af want de kern van het Vrouwenzand wordt gevormd door een keileem- massief

dat door de zandafzettingen daaromheen meestal onzichtbaar is geworden. (De plaat ten westen van het Buitenste Gat bestaat aan de oppervlakte overigens uit grindachtig zwerfgesteente zoals ik aan het zwaard kon beluisteren toen ik daar per ongeluk eens over heen zeilde met een klipper.)

Op een 16de eeuwse kaart van Sgroten vindt men hier in de buurt de naam Nagel en inderdaad is het Buitenste Gat breed en diep genoeg om het hiervoor genoemde verenigde water te laten passeren.

De naam Vrouwenzand wordt intussen ten onrechte in verband gebracht met de bekende legende van het Vrouwtje van Stavoren waarin gesuggereerd wordt dat het verval van de Staverse handel te maken zou hebben met de vrij plotselinge verschijning van het Vrouwenzand en de daarmee gepaard gaande verzanding van de Staverse havens.

Nu is het niet precies te achterhalen waar de scheepvaart langs de Nagel voor het ontstaan van de Zuiderzee verbinding vond met de IJssel. Misschien even ten zuiden van de lijn Urk- Schokland omdat de vaarweg oostelijk van Urk door de 19de eeuwse zeeman- dichter Cornelis Harkes Landmeter, bijgenaamd Kees fan `e Wâldkant, in zijn gedicht De Zeereis nog steeds de Nagel wordt genoemd…

 

Tusschen `t land en Urk wilt weten,

Zeilden wij de Nagel door,

Zo dit water wordt geheeten,

Maar `t was niet ons regte spoor.

 

 

In de buurt van het Vrouwenzand moet eens het vrouwenklooster Maria Magdalena hebben gestaan dat naar de Achterdelf binnen de stad werd verplaatst, nadat door de vloeden het Vrouwenzand van haar met klei bedekte veenlaagje was ontbloot, en als zodanig haar functie als weidegebied voor de Vrouwen had verloren.

 
De Delf.


Wanneer precies de Delf werd gegraven, is tot nu toe onbekend maar het is logisch dat er behoefte was aan beschermde los- en laadplaatsen en daarom mogen wij aannemen dat er vanaf de Sudermuda ter hoogte van Odulfus al heel vroeg een inham werd gegraven op de plaats waar een natuurlijk stroompje vanuit het zuiden afwaterde in de Sudermuda. Een natuurlijk oeverprofiel, gevonden tijdens rioolwerkzaamheden in de Dwinger, wijst in die richting en daarom rijst het vermoeden dat de Delf weleens een gekanaliseerd riviertje zou kunnen zijn.










De Noormannen.



Er zijn geen berichten van een bezoek aan Staveren door Bonefatius en zijn wreker Karel Martel, onderweg naar de Middelzee, maar in 991 krijgen wij hier wel bezoek van de latere Noorse koning Olav Tryggvason die met zijn langschip Ormrinn Langri (Lange Slang) en een onbekend aantal volgschepen onderweg is van Kent in Zuid-Engeland naar Denemarken. Langs de Swanrâd zijn zij naar Staveren gevaren om Odulfus te bezoeken.

Nu beschouwden de Noormannen kloosters en abdijen als een ongewenste Frankisch-Romaanse bezettingsmacht waarvan zij de Lage Landen meenden te moeten bevrijden. In ruil daarvoor beroofden zij die macht vervolgens van alles wat zij konden gebruiken zoals de kerkelijke belastingopbrengsten (de tienden), het goud en het zilver en ook wisten zij met grote nauwkeurigheid de meestal goed gevulde wijn- en bierkelders te bereiken. Bovendien namen zij de belangrijkste kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders als gijzelaars mee aan boord en lieten dezen na betaling van losgeld weer vrij.

Het lot van de monniken en lekebroeders was daarbij enigszins onzeker maar als zij zich niet verzetten en alleen nog maar dachtenaan oremus (laten wij bidden) dan liep het meestal wel goed af want volgens het Scandinavische recht mocht iemand die zich niet kon of wilde verzetten, niet gedood worden. 

Opmerkelijk is in dit verband het Friese begrip oeremus, afgeleid van het Latijnse begrip oremus, wat nog steeds betekent…overstuur of lichtelijk in paniek raken.
Intussen hebben de kerkelijke kroniekschrijvers bedacht dat geheel Staveren toen door de Noormannen zou zijn verbrand. Onzin, want Staveren was vanaf de oudste tijden steeds bevriend met de Scandinavische landen en had daar de oudste handelsprivileges. De Noormannen staken handelsplaatsen, ook al waren die tijdelijk in vijandelijke handen, ook niet zomaar in brand want dan brachten zij schade toe aan hun eigen handel. Liever kochten zij met de gestolen middelen uit kloosters en abdijen de benodigde proviand en de gewenste handelsproducten. Bovendien was Olav in Kent al enigszins tot het Christendom bekeerd en verspreidde hij dat geloof korte tijd later, nu als koning van Noorwegen, over geheel Noorwegen tot en met IJsland en daarom is het niet helemaal duidelijk of hij Sint Odulfus verbrand heeft, of juist heeft gespaard.






Ontstaan van de Zuiderzee.



In de 11de eeuw krijgt Staveren munt-en stadsrecht en bloeit de handel   blijkbaar als nooit tevoren. De stad en de abdij zijn dan nog over land met elkaar verbonden en worden pas vanaf 1300 definitief door de zee van elkaar gescheiden en daarbij dringt zich dan de vraag op…”Hoe kon daar nu binnen enkele eeuwen een overslibd veengebied veranderen in een binnenzee die men later Zuiderzee zou noemen ?”              
De zeespiegel stijgt al duizenden jaren en daardoor vonden er in het onbedijkte kustgebied steeds langzame verschuivingen plaats.Eilanden en Wadden verplaatsten zich langzaam landinwaarts en door het meestijgende grondwater veranderden dennebossen langzaam in loofbossen die op hun beurt veranderden in laagveenbossen met steeds meer elzen- en wilgenvegetatie, totdat de invloed van de zee ze veranderde in brakwatermoerassen die vanaf de zeezijde bij elke overstroming werden voorzien van een laagje zeeklei.

Nog steeds vindt men langs de Staverse stranden sporen van hoog- en laagveen terwijl daar de halfverveende zwerfhoutjes herinneren aan de laatste fase van dat biesbosachtige moerasbos voordat het samen met het onderliggende veenpakket definitief door de vloeden werd opgeruimd.
Menselijk ingrijpen, vooral door zoutwinning, veenontginning en stormvloedkerende bedijking heeft dat slijtageproces aanzienlijk versneld.






Zoutwinning.


Voor de bedijking werd hier aan de gehele kust tussen Vlaanderen en Denemarken zout gewonnen uit overslibde zoutveengebieden of brakmoeren waar de bomen al door verzilting waren afgestorven.
De kleilaag werd verwijderd en het veen werd afgestoken, gedroogd en verbrand. De as werd uitgekookt (het zoutzieden, Fries-siede), de drap werd afgeschept en het schone zout bleef over. Dat werd in houten tonnen geschept, ingescheept en vooral naar Engeland en Scandinavië gebracht.

Dit zogenoemde Friese zout was voor de invoer van het Franse zeezout (aan het einde van de 13de eeuw), samen met het Fries wollen doek, één van de belangrijkste exportproducten van de Lage Landen.

Kloosters en abdijen liepen voorop in de zoutwinning omdat alle woeste gronden tot kerkelijk domeinland werden gerekend en daarom mogen wij St. Odulfus als werkgever van al die lekebroeders een actieve rol toebedelen in het proces van zoutwinning, gevolgd door bodemdaling van de brakke moeren ten westen van Staveren tussen Vrouwenzand en Munnikplaat.

 
 

Bedijking.

Zoals gezegd had ook de aanleg van stormvloedkerende dijken, vanaf de 12e eeuw, enorme gevolgen voor de buitendijkse gronden. Want tijdens de herfst-en wintervloeden stuwde het water, dat voorheen in een veel groter zeeboezemgebied kon betijen, nu steeds hoger op rondom de bedijkte gebieden. Dat is dan mede de oorzaak van een toenemend buitendijks landverlies, gevolgd door de vorming van zeeboezems zoals Westerschelde, Zuiderzee, Lauwerszee, Dollart, Jade en Jever.
 



Ontginning.



Hoeveel invloed veenontginningen hadden op de bodemdaling in ons gebied, is moeilijk te achterhalen, maar het grote aantal verdwenen nederzettingen in de Zuiderzee tot en met de Waddenzee wijst wel in die richting omdat de eerste bewoners zich steeds vestigden op de hogere kwelderwallen langs de getijdegeulen om daarvandaan landinwaarts de moerassen te ontginnen.

Eerst werden de stervende bomen gekapt en veranderde het landschap dichtbij de geulen in vruchtbare kwelders, geschikt voor de schapenhouderij. Daarna werden er sloten gegraven om het sponsachtige achterland beter te ontwateren en het op die manier in cultuur te kunnen brengen, maar zoals gezegd zijn er weinig of geen sporen terug te vinden. In de Noordoostpolder vond men na inpoldering nog wel sporen van dijksresten die er op wijzen dat de voormalige bewoners van dit ontgonnen en ingeklonken overslibde veengebied zich nog korte tijd tegen de opstuwende vloeden hebben geweerd.

Samengevat is deze inleiding noodzakelijk om het snelle verval van Staveren en haar abdij enigszins te kunnen begrijpen vanuit het brede perspectief der algehele situatie in de Lage Landen.

 
 
Ondergang van Odulfus.



Otto, afgezand van de Utrechtse bisschop, stelt in het jaar 1230 vast dat de abdij van St. Odulfus niet langer instaat is om zich uit eigen middelen tegen de zee te beveiligen. Blijkbaar moest er dus nog al wat bedijkingswerk aan te pas komen om de boel boven water te houden.
Odulfus had vanouds recht op de kerkelijke tienden- of belastingopbrengsten uit een gebied dat geheel Wenbirge (het latere Wymbrits) en Súdergo omvatte. Maar vanwege de overstromingen was er uit Súdergo met de kapel- en kerkdorpen Naghele, Ruthne, Ennese, Orckele (Urk) en Emelwert (Emmeloord) weinig meer te halen, sterker nog, in 1300 was bijvoorbeeld Naghele al volkomen van de kaart verdwenen.

Tegelijkertijd betwisten verschillende heerschappen de rechten van Odulfus in Wenbirge (Wymbrits), Wildinghe (Wonseradiel) en Gaasterland tot en met Skarsterlân waar zich eveneens kerken en kapellen van Odulfus bevonden. Zo moest de abdij aflaten gaan verkopen om de benodigde middelen tot zeedefensie bij elkaar te schrapen. Dat betekende dat de aflaatkopers, afhankelijk van het bedrag, gedeeltelijk ofwel helemaal van hun zonden waren verlost.

Nu ging het waarschijnlijk niet alleen om het behoud van de Odulfus-gebouwen maar ook om het behoud van de omringende landerijen. Dat was kostbaar want een kleidijk was niet voldoende omdat de venige ondergrond, met een gemiddelde dikte van zo`n drie tot vier meter, weinig houvast bood.

Zo moest men dan door de veenlaag een dubbele palenrij tot in de zandige of lemige ondergrond slaan, de palenrijen met elkaar door ijzeren stagen verbinden en vervolgens volstorten met wier en zoden.

Intussen ging in de wijdere omgeving de erosie gewoon door en werd bijvoorbeeld de Plaat ten noorden van de Sudermuda, in de luwte waarvan de schepen gewoonlijk voor anker lagen te wachten op hun losbeurt in de Delf, volkomen ontmanteld nadat ook hier de boormossel met zijn gangen naar het veen, het beschermende kleidek   poreus had gemaakt.

Vanwege al dat landverlies vroeg het Zuiderzeegebied tijdens de herfst- en wintervloeden steeds meer water en daardoor werden de zeegaten steeds breder en dieper.

Tijdens aanhoudende noord-noordwesterstormen persten de vloeden zich nu met geweld tussen Staveren en de Westfriese Omringdijk door en volgens bisschop Guido van Utrecht stond Odulfus in 1307 dermate dicht bij de zee, dat het door de golven geheel zou worden verslonden wanneer niet spoedig hulp werd verleend.

Die hulp schoot echter te kort want in 1318 was het klooster in diep verval geraakt en vijf jaar later schreef bisschop Jan van Diest dat de twee torens en een groot deel van het klooster inclusief de verschillende bijgebouwen in puin waren gevallen. De brug, het kistwerk tussen Odulfus en de vaste wal, was weggeslagen en het water klotste tussen de palen door waarop slechts nog de resten van het bouwwerk rustten, zoals de bisschop met eigen ogen had gezien.                  

In 1323 was er dus al een doorbraak en was de zee flink in beweging om Odulfus door middel van het Oude Gat van de tegenwoordige stad te scheiden. De monniken waren door misgewas en veepest nu geheel verarmd en daarom gelastte de bisschop zijn geestelijken om “in hunne kerken den zendelingen van St. Odulfus te veroorloven het woord Gods te prediken en aalmoezen in te zamelen.” Hetzelfde werd in diezelfde eeuw nog eens door drie andere bisschoppen verordend.

Waar intussen al die monniken zijn gebleven is niet precies bekend maar zij verbleven in elk geval nog in Staveren want in 1335 ging de stad, vertegenwoordigd door abt Uolker (Volker) van de abedie sinte Adulf, akkoord met de beslissingen die er tijdens de Vrede van Gent werden genomen om een einde te maken aan de kaperoorlog tussen Staveren en Lübeck.

In 1340 wordt er binnen de stad een nieuw onderkomen(hospitaal) opgericht en dat moeten wij zoeken in de buurt van het Hooglandgemaal nabij het Odulfus fenne- of weideland.      

Het verhaal dat graaf Willem in 1345 bij het oude Odulfus aan land kwam is dus uit de lucht gegrepen want van het oude Odulfus was toen alleen nog maar een stukje ruïne op een eilandje overgebleven.   De veroveraars kwamen in het zuiden van de stad bij het nieuwe Odulf aan land. Toen graaf Albrecht in 1398 Staveren veroverde, omringde hij de stad met aarden wallen waarbij Odulfus buiten de stad kwam te liggen. Daar diende het tijdens de Hollands-Friese oorlogen alleen nog als militaire versterking en het kreeg er toen zodanig van langs dat men het in 1414, toen de stad weer in handen van de Friezen was gevallen, niet verstandig vond om op de puinhopen van dit tweede Odulf een nieuw gebouw te stichten en daarom werd nu aan de zuidkant binnen de stadwallen in 1415 een derde en laatste Odulfus ingewijd. Vanwege het harde dak ontsnapte het nog aan de grote brand in 1420, waarbij honderden met riet gedekte huizen in as werden gelegd.

Blijkbaar zag men nu steeds minder toekomst voor een belangrijk kerkelijk centrum in Staveren weggelegd want terwijl sommige kloosterlingen in Staveren bleven wonen, vestigden anderen zich in Hemelum terwijl de abt in Rijs ging wonen. Dat kwam de eenheid niet ten goede en daarom braken er voor Sint Odulfus eigenlijk nooit meer goede tijden aan.

Samengevat mogen we zeggen dat de geschiedenis van Sint Odulfus een boekje open doet over de geschiedenis van Oud- Staveren want toen het eerste Odulf in een ruïne veranderde, was de gehele bebouwing langs de Delf inclusief de legendarische scheepswerf van Odulfus (alle grote kloosters deden in die tijd intensief mee aan de handelsvaart) in het Oude Gat verdwenen.

Omdat er toen blijkbaar nog voldoende kapitaal in de stad aanwezig was, kon men het overgebleven Staveren door dijks- en havenwerken voor de totale ondergang behoeden.

Omstreeks 1300 is Staveren niet meer de belangrijkste Hanzestad van Nederland omdat veel kooplieden bijvoorbeeld al naar Kampen waren vertrokken want de zeeschepen hoefden hun handelswaren niet langer in Staveren op binnenscheepjes over te laden en konden nu langs steeds bredere wateren door het Val van Urk rechtsstreeks naar Kampen zeilen.

 Intussen hebben archeologen onder water westelijk van de stad, door middel van sonering, een rechthoekige structuur onder het zand aangepeild. Zij hadden helaas geen kraanschip of zandzuiger om eens te kijken welke stenen daar onder het zand liggen.
Binnen de rechthoek bevindt zich overigens een grote hoeveelheid zwerfkeitjes van hetzelfde formaat. Zulke keitjes werden meestal met schepen uit Scandinavië aangevoerd en hier waarschijnlijk op de west- en noordkant van het abdijterrein tegen de palendijk gestort.
Vermoedelijk is men hier, op de zwaarst bedreigde plek van de gehele Zuiderzee, begonnen met de eerste steenstortingen in de bedijkingsgeschiedenis van het Zuiderzeegebied.

Het feit dat de stenen binnen het rechthoekige terrein terecht gekomen zijn, kan tenslotte alleen maar verklaard worden vanuit de beweging en werking… van kruiend ijs.

 

                                                                                    

             Binne Lútsen Boarnstra- Staveren 

                     

 

U dient ingelogd te zijn met uw geregistreerde gebruikersnaam om een reactie te kunnen plaatsen.

Het feest is begonnen!