Sponsoren:
De Vier Heemskinderen
Firma Bandstra en Ernst
Drankenhandel Kuperus
Klussenbedrijf J. Smit
Zuidwesthoek Mastenmakerij
Kapsalon Klazien
Simmermoarn
Brouwershûs
Singelier
Doede Bleeker
Auke de Groot websiteontwerp, onderhoud en hosting
De Lotus
Schildersbedrijf Hans Müller
Stadsboerderij de Koebrug
Nijverheid Charters
Stadeshuys
Bij van der Brink



 

In de zeventiende en achttiende eeuw gold Staveren als de zesde van de elf Friese steden. Bij de Elfstedentocht is het de vierde stad waar de rijders hun kaart laten afstempelen. Maar er is ook een tijd geweest dat Staveren beschouwd kon worden als de eerste onder de Friese steden. Toegegeven, er waren in Friesland, voorzover we weten, eerst nog geen andere steden. Maar daaruit moeten we niet de conclusie trekken dat het oude Staveren dan ook wel niet zoveel voorgesteld zal hebben.

 

Wij mogen natuurlijk ook weer niet te ver doorschieten in de andere richting. Zo beweerden sommige geschiedschrijvers vroeger met grote stelligheid dat Staveren de residentie was geweest van Friese koningen. Dat is niet waar. Ook is het een fabel dat hier eens de god Stavo vereerd werd (wat trouwens de naamvorm Stavoren hoogst discutabel maakt). Het grote belang van Staveren moeten we zoeken in het feit dat het ooit een haven- en handelsstad van belang is geweest, ja dat het zelfs toegelaten is als lid van de Duitse Hanze.

 

Dit belang van Staveren is in de geschiedschrijving niet goed tot uitdrukking gekomen. Daarom juich ik het toe dat Binne Lútsen Boarnstra in deze publicatie zijn licht laat schijnen over een aantal aspecten van de Staverse geschiedenis. Vooral zijn verhandeling over het Staverse zeerecht vind ik uitermate boeiend. Alleen iemand die zelf schipper is, kan zich zo inleven!

 

Oebele Vries

 

Dr. Oebele Vries is docent Oudfries en Friese geschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Groningen.

 

De ruimte achter de woorden

Is groter dan wat over de tong rolt

Zoals ook de zee

Groter is dan wat aanspoelt

Over stranden

 

Met veel verdriet hebben wij afscheid moeten nemen van
Binne Lútsen Boarnstra

 









Binne heeft met veel toewijding een heel grote bijdrage geleverd aan deze website, door veel onderzoek te doen en interessante artikelen te schrijven over de geschiedenis van Staveren.

 
Toen Stavoren 950 jaar geleden stadsrechten kreeg, heette het nog Staveren en dat bleef zo tot 1600. Daarna werd het afwisselend Staveren en Stavoren genoemd. In 1040 was het al een stad want er was een munthuis waar munt werd geslagen en er was dus blijkbaar al een handelsdrukte van belang.



Munten die in Staveren geslagen zijn
Munten, geslagen in Staveren
Links keizer Hendrik IV en rechts de plaatsvervanger van Ekbert II, de Utrechtse bisschop Koenraad of Chuonrad (1076-1099), die overigens weinig invloed kreeg in de Friese landen omdat hij daar een belastingstelsel wilde invoeren.









Omstreeks 1061 kreeg het met toestemming van keizer Hendrik IV stadsrechten van graaf Egbert I. Zo kreeg Staveren een eigen rechtspraak en tolvrijheden door het gehele Roomse Rijk. Bovendien kreeg de stad een stadswapen gekroond met een gouden kroon en voorzien van de gekruiste bisschopsstaven die herinneren aan haar beschermheren: de aartsbisschop van Keulen en de bisschop van Utrecht.






En daarmee mag Staveren dan de oudste stad met stadsrechten van Nederland worden genoemd.




Het middeleeuwse stadszegel

In de Hanze was het gebruikelijk om oorkonden en brieven te bezegelen met een stadszegel. Nu heeft Staveren verschillende zegels gehad, maar het hierbij afgebeelde zegel uit de 14de eeuw is misschien wel één van de mooisten van het middeleeuwse Europa met het opschrift SIGILLUM BURGIENSUM DE STAVRIA (zegel van de burgers van Staveren).



Stadszegel kogge-stadzegel




Voorin het geladen koggeschip zit daar Odulfus, de stichter van het Staverse klooster in 838 dat later uitgroeide tot de abdij Sint Odulfus. Hij wijst naar een hand rechtsboven het schip, de gulle gever van gunstige wind. Het is de hand van de Drie Eenheid en daarom stuurt de schipper een scheepsmaat naar boven om de zeilbanden los te maken want ‘als God wind geeft, geef ik zeil.’ De drie haringen onder het schip verwijzen naar eerlijkheid en trouw waarmee zeelieden met elkaar in zee behoren te gaan vanwege de zeewaardigheid van schip, bemanning en vracht. De twee maansikkels en de vier sterren wijzen op een behouden vaart, want met opkomende maan blijft de hemel vaker helder en blijven de wind en het weer vaker stabiel. Het ziet er allemaal veelbelovend uit en ademt de sfeer van opkomst en bloei zoals dat in de eerste helft van de 14de eeuw inderdaad nog op Staveren van toepassing is.




Handel en verval
Nog voor de Hanze als stedenbond ontstond, werd er gehandeld door Hansas of samenwerkingsverbanden van kooplieden. De Hansas werden in het buitenland vertegenwoordigd door Aldermannen die bemiddelden tussen de Hansas en de plaatselijke overheid. Bovendien dienden zij ook als bevrachters. Zo woonde er in de 13de eeuw nog ene Simon van Stavere in Lennem-Kings Lynn-Oost-Engeland die daar de Staverse Engelandvaardershansa vertegenwoordigde zoals de Staverse Rijnvaardershansa in Keulen werd vertegenwoordigd door ene Herman de Stavere. De Hollands-Friese oorlogen van 1345 tot 1422 maakten een einde aan de middeleeuwse bloei van de stad en waar de handel verdwijnt, verdwijnen ook de middelen tot dijks- en havenonderhoud die toen nog plaatselijk moesten worden opgebracht. Zo verwoestte de zee het grootste gedeelte van Oud-Staveren en bleef er alleen nog maar die bekende legende over het Vrouwtje van Stavoren, die eigenlijk meer een sprookje is. Gelukkig richtte de stad zich langzaam weer op en vonden hier in de 17de eeuw alweer de helft van alle Friese Ommelandvaarders hun thuishaven. 
Lees hier een uitgebreidere beschrijving van de Hansas en Hanze van Staveren.



 

Voor bijdragen en informatie mail naar: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
 
Hieronder kunt u oude originele teksten lezen over het verlenen van stadsrechten aan Staveren door Graaf Egbert I van Brunswijk (voor 1068), en het bekrachtigen daarvan door Koning Hendrik in 1123.


tekst_stadsrechten

Klik hier de afbeeldingen met de teksten in groter formaat te bekijken.



stadsrechten_tekst
 


Opkomst en ondergang van de abdij Odulfus.


De geschiedenis van Oud Staveren vindt enigszins houvast bij de geschiedenis van het klooster en de abdij van Sint Odulfus.

Dat begint al in 838 als Odulfus op verzoek van de Utrechtse bisschop hier een kerkelijk centrum sticht om daarvandaan de afvallige Friezen opnieuw tot het Christendom te bekeren.
Deze missiepost verscheen westelijk van de huidige Noorderhaven waar de Nagel, het verenigde water van Overijsselse Vecht- Drentse Aa- Steenwijker Aa- Tjonger- Linde- Scheene, zich splitste en zich gedeeltelijk als Sudermuda noordoostelijk naar de Middelzee bewoog.

De Zuiderzee was er nog niet en het landschap ten westen van Staveren bestond nog uit ondoordringbare laagveenbossen omzoomd door Biesbosachtige brakwatermoeren die vooral langs de oevers van de getijderivieren werden voorzien van vruchtbare zeeklei.

Daar kapte men de door het zout aangetaste bomen en zo veranderde het gebied in een kwelderlandschap, geschikt voor het hoeden van schapen. Omdat het kustlandschap toen nog niet werd beschermd door stormvloedkerende dijken, wierp men terpen van zoden op om zich te beschermen tegen de herfst- en wintervloeden.

 

De waterwegen.


Staveren bestond al voordat er een kerkelijk centrum werd gevestigd want zo`n centrum werd niet zomaar ergens in de wildernis geplaatst.

Het lag daar gunstig aan de belangrijkste binnenvaartverbinding van Noordwest Europa, de Friese Binnenweg, die in het Beowulf-epos uit de 6de eeuw naast de Hronrâd, de Walvisweg over zee, Swanrâd of Zwanenweg wordt genoemd.

Langs deze vaarweg voeren schepen van Vlaanderen langs de Striene (een verdwenen noordelijke Scheldetak), de Lek, de Vecht en over het Almere naar Staveren, om vervolgens langs Sudermuda en Harsa de Middelzee te bereiken en over de Wadden op Emden, Bremen, Hamburg of Ribe en Sleeswyk in Denemarken aan te koersen.

 
Het Vrouwenzand.


Na afsluiting van de Zuiderzee zijn de meeste getijdegeulen onzichtbaar geworden door de egaliserende werking van wind en golven, maar gelukkig benoemen de Staverse visserlui hun visgronden nog steeds met de namen van oude geulen en platen.

Zo loopt daar vanuit het zuidoosten de Veengeul die aansluit op het Buitenste Gat in het Vrouwenzand. Dit gat wordt op diepte gehouden door de windstroom en is op haar smalst 280 meter breed bij een maximale diepte van 5 meter. De begrenzingen lopen steil af want de kern van het Vrouwenzand wordt gevormd door een keileem- massief

dat door de zandafzettingen daaromheen meestal onzichtbaar is geworden. (De plaat ten westen van het Buitenste Gat bestaat aan de oppervlakte overigens uit grindachtig zwerfgesteente zoals ik aan het zwaard kon beluisteren toen ik daar per ongeluk eens over heen zeilde met een klipper.)

Op een 16de eeuwse kaart van Sgroten vindt men hier in de buurt de naam Nagel en inderdaad is het Buitenste Gat breed en diep genoeg om het hiervoor genoemde verenigde water te laten passeren.

De naam Vrouwenzand wordt intussen ten onrechte in verband gebracht met de bekende legende van het Vrouwtje van Stavoren waarin gesuggereerd wordt dat het verval van de Staverse handel te maken zou hebben met de vrij plotselinge verschijning van het Vrouwenzand en de daarmee gepaard gaande verzanding van de Staverse havens.

Nu is het niet precies te achterhalen waar de scheepvaart langs de Nagel voor het ontstaan van de Zuiderzee verbinding vond met de IJssel. Misschien even ten zuiden van de lijn Urk- Schokland omdat de vaarweg oostelijk van Urk door de 19de eeuwse zeeman- dichter Cornelis Harkes Landmeter, bijgenaamd Kees fan `e Wâldkant, in zijn gedicht De Zeereis nog steeds de Nagel wordt genoemd…

 

Tusschen `t land en Urk wilt weten,

Zeilden wij de Nagel door,

Zo dit water wordt geheeten,

Maar `t was niet ons regte spoor.

 

 

In de buurt van het Vrouwenzand moet eens het vrouwenklooster Maria Magdalena hebben gestaan dat naar de Achterdelf binnen de stad werd verplaatst, nadat door de vloeden het Vrouwenzand van haar met klei bedekte veenlaagje was ontbloot, en als zodanig haar functie als weidegebied voor de Vrouwen had verloren.

 
De Delf.


Wanneer precies de Delf werd gegraven, is tot nu toe onbekend maar het is logisch dat er behoefte was aan beschermde los- en laadplaatsen en daarom mogen wij aannemen dat er vanaf de Sudermuda ter hoogte van Odulfus al heel vroeg een inham werd gegraven op de plaats waar een natuurlijk stroompje vanuit het zuiden afwaterde in de Sudermuda. Een natuurlijk oeverprofiel, gevonden tijdens rioolwerkzaamheden in de Dwinger, wijst in die richting en daarom rijst het vermoeden dat de Delf weleens een gekanaliseerd riviertje zou kunnen zijn.










De Noormannen.



Er zijn geen berichten van een bezoek aan Staveren door Bonefatius en zijn wreker Karel Martel, onderweg naar de Middelzee, maar in 991 krijgen wij hier wel bezoek van de latere Noorse koning Olav Tryggvason die met zijn langschip Ormrinn Langri (Lange Slang) en een onbekend aantal volgschepen onderweg is van Kent in Zuid-Engeland naar Denemarken. Langs de Swanrâd zijn zij naar Staveren gevaren om Odulfus te bezoeken.

Nu beschouwden de Noormannen kloosters en abdijen als een ongewenste Frankisch-Romaanse bezettingsmacht waarvan zij de Lage Landen meenden te moeten bevrijden. In ruil daarvoor beroofden zij die macht vervolgens van alles wat zij konden gebruiken zoals de kerkelijke belastingopbrengsten (de tienden), het goud en het zilver en ook wisten zij met grote nauwkeurigheid de meestal goed gevulde wijn- en bierkelders te bereiken. Bovendien namen zij de belangrijkste kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders als gijzelaars mee aan boord en lieten dezen na betaling van losgeld weer vrij.

Het lot van de monniken en lekebroeders was daarbij enigszins onzeker maar als zij zich niet verzetten en alleen nog maar dachtenaan oremus (laten wij bidden) dan liep het meestal wel goed af want volgens het Scandinavische recht mocht iemand die zich niet kon of wilde verzetten, niet gedood worden. 

Opmerkelijk is in dit verband het Friese begrip oeremus, afgeleid van het Latijnse begrip oremus, wat nog steeds betekent…overstuur of lichtelijk in paniek raken.
Intussen hebben de kerkelijke kroniekschrijvers bedacht dat geheel Staveren toen door de Noormannen zou zijn verbrand. Onzin, want Staveren was vanaf de oudste tijden steeds bevriend met de Scandinavische landen en had daar de oudste handelsprivileges. De Noormannen staken handelsplaatsen, ook al waren die tijdelijk in vijandelijke handen, ook niet zomaar in brand want dan brachten zij schade toe aan hun eigen handel. Liever kochten zij met de gestolen middelen uit kloosters en abdijen de benodigde proviand en de gewenste handelsproducten. Bovendien was Olav in Kent al enigszins tot het Christendom bekeerd en verspreidde hij dat geloof korte tijd later, nu als koning van Noorwegen, over geheel Noorwegen tot en met IJsland en daarom is het niet helemaal duidelijk of hij Sint Odulfus verbrand heeft, of juist heeft gespaard.






Ontstaan van de Zuiderzee.



In de 11de eeuw krijgt Staveren munt-en stadsrecht en bloeit de handel   blijkbaar als nooit tevoren. De stad en de abdij zijn dan nog over land met elkaar verbonden en worden pas vanaf 1300 definitief door de zee van elkaar gescheiden en daarbij dringt zich dan de vraag op…”Hoe kon daar nu binnen enkele eeuwen een overslibd veengebied veranderen in een binnenzee die men later Zuiderzee zou noemen ?”              
De zeespiegel stijgt al duizenden jaren en daardoor vonden er in het onbedijkte kustgebied steeds langzame verschuivingen plaats.Eilanden en Wadden verplaatsten zich langzaam landinwaarts en door het meestijgende grondwater veranderden dennebossen langzaam in loofbossen die op hun beurt veranderden in laagveenbossen met steeds meer elzen- en wilgenvegetatie, totdat de invloed van de zee ze veranderde in brakwatermoerassen die vanaf de zeezijde bij elke overstroming werden voorzien van een laagje zeeklei.

Nog steeds vindt men langs de Staverse stranden sporen van hoog- en laagveen terwijl daar de halfverveende zwerfhoutjes herinneren aan de laatste fase van dat biesbosachtige moerasbos voordat het samen met het onderliggende veenpakket definitief door de vloeden werd opgeruimd.
Menselijk ingrijpen, vooral door zoutwinning, veenontginning en stormvloedkerende bedijking heeft dat slijtageproces aanzienlijk versneld.






Zoutwinning.


Voor de bedijking werd hier aan de gehele kust tussen Vlaanderen en Denemarken zout gewonnen uit overslibde zoutveengebieden of brakmoeren waar de bomen al door verzilting waren afgestorven.
De kleilaag werd verwijderd en het veen werd afgestoken, gedroogd en verbrand. De as werd uitgekookt (het zoutzieden, Fries-siede), de drap werd afgeschept en het schone zout bleef over. Dat werd in houten tonnen geschept, ingescheept en vooral naar Engeland en Scandinavië gebracht.

Dit zogenoemde Friese zout was voor de invoer van het Franse zeezout (aan het einde van de 13de eeuw), samen met het Fries wollen doek, één van de belangrijkste exportproducten van de Lage Landen.

Kloosters en abdijen liepen voorop in de zoutwinning omdat alle woeste gronden tot kerkelijk domeinland werden gerekend en daarom mogen wij St. Odulfus als werkgever van al die lekebroeders een actieve rol toebedelen in het proces van zoutwinning, gevolgd door bodemdaling van de brakke moeren ten westen van Staveren tussen Vrouwenzand en Munnikplaat.

 
 

Bedijking.

Zoals gezegd had ook de aanleg van stormvloedkerende dijken, vanaf de 12e eeuw, enorme gevolgen voor de buitendijkse gronden. Want tijdens de herfst-en wintervloeden stuwde het water, dat voorheen in een veel groter zeeboezemgebied kon betijen, nu steeds hoger op rondom de bedijkte gebieden. Dat is dan mede de oorzaak van een toenemend buitendijks landverlies, gevolgd door de vorming van zeeboezems zoals Westerschelde, Zuiderzee, Lauwerszee, Dollart, Jade en Jever.
 



Ontginning.



Hoeveel invloed veenontginningen hadden op de bodemdaling in ons gebied, is moeilijk te achterhalen, maar het grote aantal verdwenen nederzettingen in de Zuiderzee tot en met de Waddenzee wijst wel in die richting omdat de eerste bewoners zich steeds vestigden op de hogere kwelderwallen langs de getijdegeulen om daarvandaan landinwaarts de moerassen te ontginnen.

Eerst werden de stervende bomen gekapt en veranderde het landschap dichtbij de geulen in vruchtbare kwelders, geschikt voor de schapenhouderij. Daarna werden er sloten gegraven om het sponsachtige achterland beter te ontwateren en het op die manier in cultuur te kunnen brengen, maar zoals gezegd zijn er weinig of geen sporen terug te vinden. In de Noordoostpolder vond men na inpoldering nog wel sporen van dijksresten die er op wijzen dat de voormalige bewoners van dit ontgonnen en ingeklonken overslibde veengebied zich nog korte tijd tegen de opstuwende vloeden hebben geweerd.

Samengevat is deze inleiding noodzakelijk om het snelle verval van Staveren en haar abdij enigszins te kunnen begrijpen vanuit het brede perspectief der algehele situatie in de Lage Landen.

 
 
Ondergang van Odulfus.



Otto, afgezand van de Utrechtse bisschop, stelt in het jaar 1230 vast dat de abdij van St. Odulfus niet langer instaat is om zich uit eigen middelen tegen de zee te beveiligen. Blijkbaar moest er dus nog al wat bedijkingswerk aan te pas komen om de boel boven water te houden.
Odulfus had vanouds recht op de kerkelijke tienden- of belastingopbrengsten uit een gebied dat geheel Wenbirge (het latere Wymbrits) en Súdergo omvatte. Maar vanwege de overstromingen was er uit Súdergo met de kapel- en kerkdorpen Naghele, Ruthne, Ennese, Orckele (Urk) en Emelwert (Emmeloord) weinig meer te halen, sterker nog, in 1300 was bijvoorbeeld Naghele al volkomen van de kaart verdwenen.

Tegelijkertijd betwisten verschillende heerschappen de rechten van Odulfus in Wenbirge (Wymbrits), Wildinghe (Wonseradiel) en Gaasterland tot en met Skarsterlân waar zich eveneens kerken en kapellen van Odulfus bevonden. Zo moest de abdij aflaten gaan verkopen om de benodigde middelen tot zeedefensie bij elkaar te schrapen. Dat betekende dat de aflaatkopers, afhankelijk van het bedrag, gedeeltelijk ofwel helemaal van hun zonden waren verlost.

Nu ging het waarschijnlijk niet alleen om het behoud van de Odulfus-gebouwen maar ook om het behoud van de omringende landerijen. Dat was kostbaar want een kleidijk was niet voldoende omdat de venige ondergrond, met een gemiddelde dikte van zo`n drie tot vier meter, weinig houvast bood.

Zo moest men dan door de veenlaag een dubbele palenrij tot in de zandige of lemige ondergrond slaan, de palenrijen met elkaar door ijzeren stagen verbinden en vervolgens volstorten met wier en zoden.

Intussen ging in de wijdere omgeving de erosie gewoon door en werd bijvoorbeeld de Plaat ten noorden van de Sudermuda, in de luwte waarvan de schepen gewoonlijk voor anker lagen te wachten op hun losbeurt in de Delf, volkomen ontmanteld nadat ook hier de boormossel met zijn gangen naar het veen, het beschermende kleidek   poreus had gemaakt.

Vanwege al dat landverlies vroeg het Zuiderzeegebied tijdens de herfst- en wintervloeden steeds meer water en daardoor werden de zeegaten steeds breder en dieper.

Tijdens aanhoudende noord-noordwesterstormen persten de vloeden zich nu met geweld tussen Staveren en de Westfriese Omringdijk door en volgens bisschop Guido van Utrecht stond Odulfus in 1307 dermate dicht bij de zee, dat het door de golven geheel zou worden verslonden wanneer niet spoedig hulp werd verleend.

Die hulp schoot echter te kort want in 1318 was het klooster in diep verval geraakt en vijf jaar later schreef bisschop Jan van Diest dat de twee torens en een groot deel van het klooster inclusief de verschillende bijgebouwen in puin waren gevallen. De brug, het kistwerk tussen Odulfus en de vaste wal, was weggeslagen en het water klotste tussen de palen door waarop slechts nog de resten van het bouwwerk rustten, zoals de bisschop met eigen ogen had gezien.                  

In 1323 was er dus al een doorbraak en was de zee flink in beweging om Odulfus door middel van het Oude Gat van de tegenwoordige stad te scheiden. De monniken waren door misgewas en veepest nu geheel verarmd en daarom gelastte de bisschop zijn geestelijken om “in hunne kerken den zendelingen van St. Odulfus te veroorloven het woord Gods te prediken en aalmoezen in te zamelen.” Hetzelfde werd in diezelfde eeuw nog eens door drie andere bisschoppen verordend.

Waar intussen al die monniken zijn gebleven is niet precies bekend maar zij verbleven in elk geval nog in Staveren want in 1335 ging de stad, vertegenwoordigd door abt Uolker (Volker) van de abedie sinte Adulf, akkoord met de beslissingen die er tijdens de Vrede van Gent werden genomen om een einde te maken aan de kaperoorlog tussen Staveren en Lübeck.

In 1340 wordt er binnen de stad een nieuw onderkomen(hospitaal) opgericht en dat moeten wij zoeken in de buurt van het Hooglandgemaal nabij het Odulfus fenne- of weideland.      

Het verhaal dat graaf Willem in 1345 bij het oude Odulfus aan land kwam is dus uit de lucht gegrepen want van het oude Odulfus was toen alleen nog maar een stukje ruïne op een eilandje overgebleven.   De veroveraars kwamen in het zuiden van de stad bij het nieuwe Odulf aan land. Toen graaf Albrecht in 1398 Staveren veroverde, omringde hij de stad met aarden wallen waarbij Odulfus buiten de stad kwam te liggen. Daar diende het tijdens de Hollands-Friese oorlogen alleen nog als militaire versterking en het kreeg er toen zodanig van langs dat men het in 1414, toen de stad weer in handen van de Friezen was gevallen, niet verstandig vond om op de puinhopen van dit tweede Odulf een nieuw gebouw te stichten en daarom werd nu aan de zuidkant binnen de stadwallen in 1415 een derde en laatste Odulfus ingewijd. Vanwege het harde dak ontsnapte het nog aan de grote brand in 1420, waarbij honderden met riet gedekte huizen in as werden gelegd.

Blijkbaar zag men nu steeds minder toekomst voor een belangrijk kerkelijk centrum in Staveren weggelegd want terwijl sommige kloosterlingen in Staveren bleven wonen, vestigden anderen zich in Hemelum terwijl de abt in Rijs ging wonen. Dat kwam de eenheid niet ten goede en daarom braken er voor Sint Odulfus eigenlijk nooit meer goede tijden aan.

Samengevat mogen we zeggen dat de geschiedenis van Sint Odulfus een boekje open doet over de geschiedenis van Oud- Staveren want toen het eerste Odulf in een ruïne veranderde, was de gehele bebouwing langs de Delf inclusief de legendarische scheepswerf van Odulfus (alle grote kloosters deden in die tijd intensief mee aan de handelsvaart) in het Oude Gat verdwenen.

Omdat er toen blijkbaar nog voldoende kapitaal in de stad aanwezig was, kon men het overgebleven Staveren door dijks- en havenwerken voor de totale ondergang behoeden.

Omstreeks 1300 is Staveren niet meer de belangrijkste Hanzestad van Nederland omdat veel kooplieden bijvoorbeeld al naar Kampen waren vertrokken want de zeeschepen hoefden hun handelswaren niet langer in Staveren op binnenscheepjes over te laden en konden nu langs steeds bredere wateren door het Val van Urk rechtsstreeks naar Kampen zeilen.

 Intussen hebben archeologen onder water westelijk van de stad, door middel van sonering, een rechthoekige structuur onder het zand aangepeild. Zij hadden helaas geen kraanschip of zandzuiger om eens te kijken welke stenen daar onder het zand liggen.
Binnen de rechthoek bevindt zich overigens een grote hoeveelheid zwerfkeitjes van hetzelfde formaat. Zulke keitjes werden meestal met schepen uit Scandinavië aangevoerd en hier waarschijnlijk op de west- en noordkant van het abdijterrein tegen de palendijk gestort.
Vermoedelijk is men hier, op de zwaarst bedreigde plek van de gehele Zuiderzee, begonnen met de eerste steenstortingen in de bedijkingsgeschiedenis van het Zuiderzeegebied.

Het feit dat de stenen binnen het rechthoekige terrein terecht gekomen zijn, kan tenslotte alleen maar verklaard worden vanuit de beweging en werking… van kruiend ijs.

 

                                                                                    

             Binne Lútsen Boarnstra- Staveren 

                     

 
Dit artikel bevat onder andere de volgende onderwerpen:



  






 

Hansas en Hanze van Staveren


In de loop van de 13de eeuw ontwikkelt de handel in Noordwest-Europa zich steeds meer in de richting van een Hanzeatische stedenbond die nochthans haar ontstaan te danken heeft aan oudere samenwerkingsverbanden of Hansas.

Zo bevond zich vanouds in Staveren een Engelandvaarders-Hansa, een Rijnvaarders-Hansa en een Scandinaviëvaarders-Hansa.

Hansas waren coöperaties of gilden van koopmanschippers want volgens de oudste traditie voeren de kooplieden mee met hun vracht voordat zij pas later binnen de Stedenhanze, steeds vaker aan de wal bleven en daar als bevrachter en stadsbestuurder steeds minder mobiel werden. Dan volgde als vanzelf ook een zekere scheiding tussen schipper en koopman.

Vanouds kozen de Hansas uit hun midden een ervaren collega om hen in hun buitenlandse handelswijk te vertegenwoordigen als een soort zaakwaarnemer die daar tevens bemiddelde tussen de Hansa en de overheid.

Omdat er in het begin van de 13de eeuw nog maar weinig werd opgeschreven (bijna alles viel nog onder het mondelinge gewoonterecht), mogen wij in de handen knijpen dat er soms toch nog iets op papier kwam te staan, bijvoorbeeld het verhaal van Simon de Staurie- Simon van Staveren, Aldermannus Romani Imperii   apud Lennem (Alderman van het Roomse Rijk omtrent Kings Lynn.) 

Simon was burger van Staveren en van Kings Lynn waar hij ook woonde. Hij was actief als bevrachter en tijdens politieke spanningen (meestal tussen Engeland en Frankrijk), bemiddelde hij tussen de Staverse Engelandvaarders-Hansa en de Engelse overheid en als Alderman van het Roomse Rijk stond hij daarbij steeds onder rechtstreekse bescherming van de Duitse keizer.

De namen van zijn voorgangers zijn niet bekend maar als op 16 mei-1249, ondanks een algemeen verbod op de uitvoer van graan, vier met graan beladen schepen van Simon en zijn collega`s worden vrijgelaten, blijkt daaruit niet alleen dat Simon toen zelf nog in de handelsvaart zat, maar ook dat er toen al een stevige band bestond tussen de Staverse Alderman, zijn Hanse en de Engelse overheid.

Nu was het opleggen van schepen (om ze te controleren op verboden vracht voor Frankrijk), vooral een zaak van de Engelse koning en ook het vrijlaten gebeurde alleen maar met zijn toestemming.

In 1224 was het ook al raak tussen Engeland en Frankrijk, en werden er in Zuidoost-Engeland schepen gearresteerd, opgelegd en ook weer vrijgelaten. Meer dan de helft van de schepen is afkomstig van Staveren en dat zijn…

Op 13 juni in Kings Lynn de schepen van Reimberd, Gilbert en Wibrand de Stauria, op 28 juni in Portsmouth de schepen van Gerardi en Radulf de Stauria, op 27 juli in Londen het schip van Radulf de Stauria en op 28 juli in Londen de schepen van Gilbert en Gerardi de Stauria. Dan wordt op 10 augustus 1230 een zekere Archebald de Stavere in alle havens van Suffolk vrijgelaten. Blijkbaar was er toen wat meer eenheid in het beleid en waren de verschillende baljuws even bij de koning op het matje geroepen.

 

In 1294 werden er in Ravensere, Scartheburgum- Scarborough en New Castle 39 schepen opgelegd, waarvan 7 uit Staveren, 7 uit Friesland, 1 uit Harderwijk, 3 uit Kampen en 11 uit Lübeck en Stralsund. Dan is er in 1297 omtrent Scartheburgum sprake van een kogge Godyer van burger-koopman Dodin de Stower en daaruit blijkt dat ook in Engeland de naam Staveren al op verschillende manieren werd geschreven. Zo worden er tussen 1311 en 1312 in Jarnemude- Great Yarmouth 16 schepen opgelegd waarvan 7 uit Staveren, bijvoorbeeld de kogge Blitheleven van Gerhard de Stavere.

In 1326 komen wij dan in Ipswich nog 8 schepen uit Staveren en 1 uit Hindeloopen tegen en lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat het toen nog steeds goed ging met de Staverse handel.

 

De geschiedenis van Simon de Staurie werpt een nieuw licht op de Vroeg-Middeleeuwse handel in Europa want men treft voor de periode van Karel de Grote ook al Friese handelswijken aan in Eoferwyk (Everswyk of York), Londonwyk (Londen), St. Denise aan de Seine, Kantwyk (Quentowic of Etaples in Noord-Frankrijk), Birka in Zweden, Colne (Keulen) en zelfs in Rome aan de Tiber, de zogenoemde Schola Frisionum. In de Friezenkerk aldaar bevindt zich nog steeds een gedenksteen uit de 12de eeuw waarin onder anderen de naam Leomot de Stavera is gebeiteld.

friezenkerk

Friezenkerk






Zulke handelswijken hadden een eigen rechtspraak en een rijksonmiddelijk terratorium. Zij vormden samen een internationaal handelsverbond dat sinds Karel de Grote ook door de Duitse keizers werd ondersteund omdat het nu eenmaal de ruggegraad vormde van de Middeleeuwse Noord- Europese handelsinfrastructuur.

De Friese handelswijken bevonden zich nooit binnen de stadsmuren en een gedenksteen in de Oude Hezelpoort van Nijmegen bewijst, dat het koopmansrecht alleen buiten de poort aan de Waalkade geldig was want het opschrift is…HUC USQUE IUS STAVRIAE (tot zover geldt het Staverse recht), terwijl ook de versterkte handelshuizen tegen de buitenkant van de stadmuur waren aangebouwd.



gedenksteen Hezelpoort Nijmegen

gedenksteen in de oude Hezelpoort van Nijmegen die de grens van het Staverse recht aangeeft (buiten de stadspoorten)







Vanaf 1250 vond er een langzame overgang plaats van de open Hansa- kultuur naar de gesloten steden- Hanze waarbij de koopman steeds vaker binnen de stadsmuren terecht komt. Staveren houdt nog lang haar open karakter want pas in 1398 wordt deze stad door de Hollandse bezetter, graaf Albrecht van Beieren, met een aarden wal omringd.

 

De Staverse Rijnhandelsvaart.

 

Oude Friese rechtshandschriften maken naast een melding van een londstrete Jever- Omersburg en een londstrete Emden- Minigardaforda (Münster) ook melding van de overlandverbinding of londstrete Staueren- Colne onder rechtstreekse bescherming van de Duitse keizer.

De Friese handelswijk in Keulen bevond zich hier aan de westelijke Rijn-oever buiten de oude stadsmuren op de plaats waar wij nu nog steeds het Friezenviertel (Friese stadskwartier), de Friezenplatz, de Friezenstrasse en de Friezentor (Noordoostelijke stadspoort aan de Rijn) kunnen vinden.

In 1178 ontmoeten wij hier ene Herman de Stavere als bemiddelaar in een conflict tussen Keulen en Verdun, maar het is niet duidelijk of Herman hier optreedt als een Alderman van de Staverse Rijnvaarders- Hansa. Wel is intussen duidelijk dat Aldermannen met hun internationale handelservaring zeer geziene en invloedrijke personen waren, die voorheen ook al, maar dan als schipper- koopman bij overheidspersonen werden uitgenodigd om hen op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in oost en west en noord en zuid.

Voor 1200 was de Staverse Rijnvaarders-Hansa onder anderen actief in de aardewerk- en tufsteenhandel op Engeland en Denemarken en waar de Oude Waal bij Nijmegen een versmalling heeft, is het niet uitgesloten dat de tufsteen samen met andere handelswaren langs de westelijke Rijn- oever naar Nijmegen werd gebracht om daarvandaan te worden verscheept, want op een andere manier kan de betekenis van de IUS STAVRIAE- steen in de Oude Hezelpoort bijna niet worden verklaard. Ook de stadsrechtverlening aan Nijmegen in 1230, waarbij de stad dezelfde rechten krijgt als Aken en Staveren (tolvrijheid door het gehele Roomse Rijk) en de bekroning van het stadswapen met de keizerskroon, doet een sterke relatie met Staveren vermoeden maar dit is dan ook het enige vermoeden dat de schrijver van dit stuk, zich waagt te permitteren.

 

Intussen kon zich op het oost- west snijpunt tussen Duitsland- Engeland en het noord- zuid snijpunt tussen Frankrijk- Scandinavië, naast de benodigde invoer- en uitvoerhandel, een enorme tussenhandel ontwikkelen. Zo was Wyk of Dorestad onder Utrecht al in de 7de en 8ste eeuw één van de belangrijkste stapel- en overslagplaatsen in Europa. Toen dit handelscentrum door de Frankisch- Friese oorlogen, de invallen van de Noormannen en vooral ook door de verzanding van haar havenwerken in onbruik raakte, vertrokken de kooplieden onder anderen naar Tiel, Nijmegen, Deventer en Staveren.

 

  Terug naar het begin

Knarren en Koggen.

 

In het Noord- en Oostzeegebied voer men meestal nog met knarren of knörren, een Fries- Scandinavisch scheepstype met een langkiel tussen kromme stevens. Het waren buikschepen of byrdingen met een gemiddelde lengte van 16 meter en een laadvermogen van zo`n 25 ton.

De lading bestond meestal uit stukgoed zoals rollen Fries wollen kleed, tonnetjes zout en andere kostbare vracht. Waar gelost werd, werd ook weer geladen en zo zwierf men tussen maart en november overal heen. Knarren konden daarbij een snelheid van wel 12 knopen bereiken en zeilden hoger aan de wind dan hun opvolgers, de koggen met hun rechte stevens. Dezen kwamen na 1150 steeds veelvuldiger in de vaart omdat de Lage Landen nu steeds meer bulk- of ruimvracht verlangden vanwege stedenvorming en bevolkings-toename, veroorzaakt door stormvloedkerende bedijkingen in het kustgebied.

 

Staveren profiteerde van deze ontwikkeling want de stad deed steeds meer dienst als overslaghaven en stapelplaats. Waar de knarren over de kronkelige waterlopen ten zuiden van Staveren nog zeilden of staande geroeid konden worden, moest nu de vracht van de veel grotere en minder wendbare koggen hier in binnenschepen worden overgeladen en zo werd Staveren vanaf de tweede helft van de 12de eeuw de belangrijkste overslaghaven van Noord- Nederland.

De Swanrâd of Friese Binnenweg verloor intussen steeds meer haar betekenis want voortaan zeilde de koggen om Harlingen heen door het Koggediep naar het oosten.

 

In de 13de eeuw voeren Staverse koggen en pleyten, grote zeewaardige kromstevens, niet alleen op Engeland. Zij stonden ook aan de bakermat van de Ommelandvaart rond Denemarken, want waar de knarren voorheen hun vracht bij Hollingsted aan de Treene met paard en wagen naar de Schleie bij Sleeswyk moesten laten brengen om vervolgens ongeladen langs een overtoom van de Noordzee naar de Oostzee te worden verplaatst, was dit met koggeschepen vrijwel onmogelijk geworden.

Lübeck wilde nu de Staverse vrachtvaarders dwingen om voortaan hun vracht vanaf Hamburg met paard en wagen naar Lübeck te brengen waar het dan op andere schepen moest worden overgeladen om het dan vervolgens in oostelijke richting verder te kunnen transporteren. Om dit verlangen kracht bij te zetten, verbood Lübeck in 1249 de Ommelandvaart voor Friezen, Vlamingen en Goten.

De Staversen lieten zich echter niet verleiden tot deze dure grap en waren er dan ook als de kippen bij om hun van oudsher gebruikelijke tolvrije Sontpassage in 1251 schriftelijk te laten bevestigen door de Deense koning Abel en met dit Ommelandvaardersprivilege zouden de Friezen nu onder Deense bescherming, voor eens en voor altijd hun tolvrije doorvaart langs de Sont behouden.

 

 Terug naar het begin

De vrede van Gent.

 

Binnen de traditie van de Hansas is het moeilijk om monopolistische tendenzen te ontdekken want de zee was vrij voor iedereen en men beschermde zich tegen de eigenmachtige willekeur van kleine machthebbers door zich (liefst tolvrij) te bewegen onder keizerlijk en kerkelijk gezag.

Toen nu de keizerlijke macht verbrokkelde en de willekeuren van kleinere machthebbers erg vervelend werden voor de koopman, probeerde deze zich daartegen te beschermen door middel van een samenwerkingsverband van steden.

De zwervende kooplieden van de Hansas verdwenen achter de muren en werden burgers en bestuurders van steden.

In Scandinavië bleven de Hansas nog lang actief terwijl Staveren   blijft hangen tussen Hansas en Hanze omdat deze stad zich nu eenmaal vanuit de Hansa-traditie heeft ontwikkeld. De jongere Duitse steden streven al spoedig naar een handelsmonopolie in het buitenland en het vermoeden rijst dat het Ommelandvaardersverbod van Lübeck, bedoeld om Friezen, Vlamingen en Goten onder de wind te zeilen, nog een staartje krijgt als er in 1329 tussen Staveren en Lübeck een kaper- oorlog uitbreekt.

 

De aanleiding tot deze oorlog is een incident in de buurt van Bardenvorde of Bara bij Halland in Zweden. Een schip uit Lübeck wordt daar geënterd door piraten en een Stavers schip schiet hen te hulp (dat was verplicht binnen het Hanzeverbond).

Daarbij verliest Staveren een schip en 13 scheepslieden. Nu maakt Lübeck geen aanstalten om de schade te vergoeden onder het voorwendsel dat de Lübeckers geen hulp zouden hebben gevraagd.

Als dan in 1329 twee Staverse Aldermannen in Lübeck om schadevergoeding vragen, wordt dat geweigerd.

Een kaper-oorlog breekt uit en in hun vitten of handelsnederzettingen op Schonen in Zuid- Zweden vinden tijdens de hariinctiit (het jaarlijkse wachten op de haring en daarna de periode van het kaken en inzouten) soms zware handgemenen plaats tussen Lübecker en Staverse sciplude (scheepsvolk).

Op verzoek van de Hanze- vergadering moet er nu bemiddeld worden.

Staveren weigert een bemiddeling van de Hollandse graaf Willem III maar uiteindelijk slaagt een zware delegatie van Aldermannen uit Gent, Brugge, Yperen, Dordtrecht, Middelburg en Zierikzee erin om de partijen te verzoenen, en bij deze Vrede van Gent wordt alle wederzijdse schade tegen elkaar weggestreept en moeten alle gevangenen worden vrijgelaten.

Pieter Mante, Wynoud Altghera, Tideman Jonghe Evvecken zone, Gheltmaer zinn broeder ende Tideman Pelegriimssone van Stavere claghen, dat si te Valsterbode in die vrye maerct binnen vrede zere ghesleghen ende ghewond worden ende grote smeetheid ghedaen wordt van der meente van Lubeke die in die hariinctiit te Sconen waren. (Die van Staveren klagen dat zij binnen de vrije markt en marktvrede van Valsterbode zwaar geslagen en verwond zijn en dat hen groot onrecht is aangedaan door de meente van Lübeck die in die haringtijd op Schonen aanwezig waren.)    

Blijkbaar was het schenden van de vrijemarktvrede een zeer zware overtreding want de hier genoemde Staverse burgers krijgen schadevergoeding.

 

Twee maanden later, op 1 mei 1335, gaat Uolker, abdt van der abedie sinte Adolfs te Staueren (Volker, abt van de abdij Sint Odulfus te Staveren) schriftelijk akkoord met de beslissingen van de Gentse Vrede met onder anderen de volgende woorden…So verbinden wy al tgoed van onzer abdyen, waer dat gelegen es, ende willen, dat het bliue verbonden tallen daghen.

Volker lijkt hier alle middelen van de abdij in te zetten als onderpand

voor een duurzame vrede. Intussen was Odulfus vier jaar voor deze oorlog aan de zuidkant van Staveren opnieuw verrezen en blijkbaar was de situatie niet meer zo armetierig als in 1230. Daarbij mogen wij aannemen dat de abdij actief was in de handelsvaart, niet alleen omdat er een werf van Odulf wordt genoemd maar ook omdat het toen gebruikelijk was dat grotere kloosters en abdijen vrachtschepen lieten varen.

Intussen wist Staveren een zes jaar durende kaper- oorlog te overleven en is ook hier de conclusie gerechtvaardigd dat het nog steeds goed ging met de Staverse handel

 

 Terug naar het begin

Tussen Holland en Friesland.

 

In 1344 wordt op verzoek van Kampen het bisschopstol bij Staveren opgedoekt.

Nadat de Utrechtse bisschop afzag van zijn belangen en rechten in Staveren en deze naar Kampen in het Oversticht had verplaatst, brengt nu de Hollandse graaf Willem III een leger op de been om zijn oude aanspraken op Staveren en Friesland kracht bij te zetten.

Wij schenken daar weinig aandacht aan want iedereen weet hoe dat in 1345 afliep, de zogenaamde slag bij Warns die in wezen een slag om Staveren was. De Staverse handel moest verdwijnen terwille van Amsterdam en tegelijkertijd moest de stad dienen als springplank in de richting van een totale kolonisatie van Friesland.

Na de nederlaag in 1345 zou het ruim 40 jaar duren voordat er een nieuwe poging werd ondernomen.

Intussen verziekten de Hollandse graven de handel met kaperbrieven, zwevende privileges en handelsverboden. Zo werd het de Hanze verboden om vracht af te leveren in het vijandige Friesland. Vervolgens werden dan foute handelaars gekaapt terwijl de goeden met zwevende privileges (met een opzegtermijn van een week tot een maand) aan het lijntje werden gehouden. Het was gedaan met de vreedzame handel van weleer want alles veranderde in een treurig verhaal van groeiende chaos en toenemend geweld ter land en ter zee.

 

In 1398 wist graaf Albrecht van Beieren met zo`n 18.000 man op zo`n 800 schepen (de schattingen lopen hier uiteen van 16.000 man op 600 schepen tot 20.000 man op 900 schepen) eindelijk, nadat er zo`n 600 Friezen waren geneuveld, Staveren tot overgave te dwingen.

In korte tijd werd hier nu een dwangburcht opgemetseld waarbij iedereen uit Holland die metselen kon, werd opgetrommeld. (De fundamenten van dat bouwwerk kwamen in 1882 als zwaar paal- en steenwerk in zicht tijdens het uitbaggeren van de nieuwe Spoorhaven.)

Tegelijkertijd liet Albrecht de stad omringen met een aarden wal en gracht.

Voor de burgers die niet waren gevlucht of niet konden vluchten brak er nu een moeilijke tijd aan, vooral toen de eerste bezetting van schutters werd teruggetrokken door de Hollandse steden, die weliswaar vanwege hun grafelijke stadsrechten verplicht waren om troepen te leveren maar deze in het geval van Staveren terugtrokken omdat zij liever handel dan oorlog met Friesland wensten.

Albrecht moest zich nu behelpen met huurlingen onder leiding van een door hem aangestelde Kapitein- roofridder.

Intussen was de handel ter plaatse volkomen verlamd en waren Friezen en Hamburgers aanvallend vanuit zee aanwezig terwijl de Friezen ter land soms in belegering en vooral ook defensief aanwezig waren in een blokkade bij Ungersyl aan de Palesloot tussen Hylpen en Molkwar.

Nu probeerde Albrecht via Warkum naar het noorden op te rukken en daarom paaide hij die plaats met een stadsrechtverlening.

Voor- en tegenstanders van een aangepaste trouw aan de graaf vlogen elkaar in de haren en die partijstrijd zorgde alleen maar voor meer chaos.

Intussen was Staveren verandert in een roversnest waarvandaan de huurlingen van Albrecht de omgeving plunderden en schepen op de rede, die wachtten op gunstige wind, van hun lading beroofden.

Met name de Hamburgers, die vanouds in Staveren hun bier stapelden en het daarvandaan naar het zuiden lieten verschepen, hadden nu zoveel schade geleden dat zij het machtige Hanzeverbond opriepen tot een oorlog tegen Holland. Daar schrok Albrecht voor terug en dat betekende het einde van de bezetting van Staveren, maar de Hamburger bierstapel was nu ook voorgoed verdwenen. Die coepman van Hamborch zou in het vervolg zijn waren rechtstreeks naar Kampen en Amsterdam laten verzeilen ondanks de veelbelovende brieven van het Staverse stadsbestuur waarin al hun oude handelsrechten meermalen worden bevestigd, bijvoorbeeld nog in de laatste brief van 23 juni 1412…

Voertmer soe moghen sie hoer gued vercopen, id sij bi zuden off bi noerden, bynnen unser stede, waer sie willen, ende latent ligghen aen unse diep, dat wi hieten de Deelff, ende up der strate alsoe langhe, alsie willen, daer sie huese of kelre hebben. (Voorts mogen zij hun goederen verkopen, hetzij in `t zuiden of in `t noorden binnen onze stad, waar zij maar willen en zij mogen het laten liggen aan ons diep dat wij de Delf noemen en op de straat zolang zij dat willen, daar waar zij kelders of huizen hebben.)

Gezien de armoede en de ellendige waterstaatfeitelijke toestand rondom Staveren zal het voor een ondernemer niet aantrekkelijk geweest zijn om zich na deze oorlog nog in Staveren te vestigen.

De middelen tot dijks- en havenonderhoud die voor de instelling van het Groot Arbitrament in 1533 nog plaatselijk moesten worden opgehoest ontbraken want de vrachtvaarders die wegens de oorlog hun handel en wandel naar elders hadden verplaatst, kwamen meestal niet terug.

Staveren is door oorlogen en overstromingen heel snel in een neerwaartse spiraal terecht gekomen. Intussen was door de Hollands- Friese oorlogen het open karakter van de Hanze verdwenen en ontstond er een soort toelatingsbeleid waarbij de Hollandse steden werden uitgesloten. Dezen wisten zich met Friese schippers op hun schepen weliswaar toegang te verschaffen tot de Oostzee maar zonder het privilege van een tolvrije vaart door de Sont die de Friese schepen daarentegen, voor altijd zouden behouden.

Samengevat mogen we zeggen dat Staveren tot diep in de 13de eeuw de belangrijkste Nederlandse Hanzestad is die dan nog samen met Kampen de overige Hanzesteden vertegenwoordigd. Zo is de volgorde in 1285 nog steeds Rudolfus de Stoueren en Hartwico de Nagele de Campen die samen met een niet nader genoemde Alderman uit Grunnong onder voorzitterschap van de Zweedse koning Gustav in Gulbyaerxhedh op het schiereiland Schonen bemiddelen in een conflict tussen de Noorse Hansas en de Duitse Hanze.

Na het landverlies ten zuiden van Staveren en het ontstaan van het Urker Val verliest de stad steeds meer haar overslagpositie omdat de zeeschepen nu rechtstreeks naar Kampen en Amsterdam kunnen zeilen. Staveren verdwijnt uit het Hanzische Oorkondenboek en het laatste Middeleeuwse bericht over de verkoop van een Stavers schip naar Amsterdam in 1430 vinden wij dan nog terug in het Oorkondenboek van Lübeck.

Tenslotte gebiedt de logica ons te zeggen dat kooplieden en schippers niet bleven hangen in een plaats die voor de handel onaantrekkelijk was geworden. Liever zochten zij een andere haven om deze dan met hun eeuwenoude ervaring en met hun dikwijls zo moeilijk bevochten privileges, opnieuw tot bloei te brengen.



Terug naar het begin



De Vrouwe en Stavoren.

 

In de prille Republiek Der Zeven Verenigde Nederlanden was het rond 1600 gebruikelijk om zich als gewest op een bombastische en chauvinistische wijze te profileren omdat een prettig saamhorigheidsgevoel van Nederlanderschap, toen nog nauwelijks aanwezig was.

Zo schreef de Staverse dominee Adamus Westermannum in 1611 een boekje met de titel korte beschrijvinge van de oude Anze Stadt Stavoren en het boekje begint als volgt….

Stavoren is de alleroudste stad van Friesland. Gebouwd in het jaar van de schepping van de wereld 3970, hetwelk is het eerste jaar van de geboorte van Onze Heer en Zaligmaker Jezus Christus, door Azinga Afcon, destijds Prins van het land, voorzien van diepe grachten, hoge wallen en torens. De Prins had ook in de stad voortreffelijke schermscholen laten oprichten, waarin de jeugd driemaal in de week in de krijgsmanskunst geoefend werd. Heeft haar oorsprong en naam van de afgod Stavo, bij de heidenen hooggeacht en gezien en die, zoals sommigen menen, bij de Friezen als Jupiter geëerd werd, enz. enz.

De legende of liever het sprookje van de Vrouwe is eveneens een verzinsel uit die tijd rond 1600. Het schetst een stad die bestuurd wordt door een dictator. Op haar commando moet een schipper zijn lading graan overboord zetten en vervolgens gaat de stad ten gevolge van die arrogante ijdelheid ten onder.

Het is een mooi sprookje met een duidelijke moraal want wat graan kan betekenen voor iedereen, mag niet verloren gaan door de willekeur van één of andere dictator.

Tevergeefs zochten wij naar een historische kern in het verhaal maar misschien geeft een verwijzing naar de gouden stoepen enigszins houvast, want er staat een zogenoemde stoepsteen voor het oude gemeentehuis van Staveren, die door oudburgemeester van Haarsma Buma uit de vloerbedekking van een bijkeukentje werd opgevist. Het is een oude erfafscheiding, gebeiteld uit kalksteen afkomstig van het Zweedse eiland Öland, en het is uniek in Nederland.

De rechtopstaande 14de eeuwse steen is voorzien van een griffioen, een gevleugelde leeuw van Assyrische herkomst en de afbeeldingen zijn hier en daar verguld geweest.

De bedenker(s) van het sprookje hebben misschien ergens de klok horen luiden maar zoeken nog steeds naar de klepel en daarom zou het verhaal geen legende of sage, maar liever een sprookje mogen worden genoemd.

De naam Stavoren is afkomstig van de nepgod Stavo en\of van het vrouwtje met de puntmuts want de klemtoon van alle namen die wij vonden, ligt steeds op de eerste lettergreep zoals…

Staueren- Stauerun- Staurie- Stavera- Stawrun- Stafren- Staverun- Stavria- Stoueren- Stower- Stovern- Stofren.

staf-stav is het kernbegrip van de naam Staveren en betekent stevigheid of verband brengend deel van een geheel , zoals dat gebruikelijk is bij het staffelen van de vracht, het met bewijzen staven, de stavering, spelling of het verband van de taal, de stevens of het verband van een schip, de stafdijk van Stavenisse, dubbele verstaagde palenrijen volgestort met wier en zoden zoals dat in overslibde veengebieden gebruikelijk was.

Nu was omstreeks 800 zo`n stafdijk bij Staveren misschien nog niet noodzakelijk en kon men volstaan met platte zodendijkjes en in dat geval zou de naam Staveren afkomstig kunnen zijn van dichtgetimmerde paalconstructies of steigers die dienst deden als laad- en losbruggen voor de vrachtvaart. (Zie het hoofdstuk zeerecht.)

Dan is er nog het Scandinavische begrip staua of rechtspraak, het samenbindend of verbandbrengend deel van een samenleving en inderdaad was Staveren al heel vroeg een tot rechtspraak bevoegde locatie.                                                                                                        
Hoe het ook zij, en wie ook waar de hier besproken verzinsels heeft bedacht, de naam Stavoren geeft alleen maar een achterstavorense indruk en hiermee is dan wat ons betreft een periode van 400 jaar geschiedenisvervalsing op feestelijke wijze afgesloten en mag de oude roemruchte naam STAVEREN nu weer opnieuw, op de kaart verschijnen.          

                      

 

                                                                 Binne Lútsen Boarnstra

 
Meer artikelen...
Het feest is begonnen!